Overleven en hoop op menselijkheid

Bericht uit de bbb+ in Groningen, over overleven en hoop op menselijkheid.

 “Elke nacht zie ik mijn zoon voor me”
Hij ijsbeert al een paar minuten voor het kantoor heen en weer, stipt op tijd voor de interviewafspraak. Een oudere man, klein van stuk en onberispelijk gekleed. De 73jarige Droon was in de provincie Kabul een gerespecteerd man. Eigenaar van een succesvol exportbedrijf en gelukkig getrouwd met Bahar (69). Een fijn leven was het, knikt Bahar. Ze heeft zich bij haar man gevoegd, de twee glimlachen even naar elkaar. 

Hebben ze kinderen? Het lijkt zo’n onschuldige vraag. Zo’n doodgewone ‘praatje als je nieuwe mensen ontmoet’vraag: hebben jullie kinderen? De stilte valt in de kamer als een blok. Bahar krimpt ineen, trekt de shawl een beetje voor haar gezicht en zwijgt. Het is aan Droon om het verhaal uit de doeken te doen.

“Wij hadden drie kinderen, twee dochters en een zoon.” Hadden. Bahar begint te huilen. Eén dochter is spoorloos, de zoon is dood. Vermoord door de Taliban. In hun eigen huis werd hij doodgeschoten, in hun bijzijn. De Taliban wilden hun dochter meenemen, ze zou aan een van de Talibanmannen gegeven worden. Uitgehuwelijkt. Het meisje wilde niet. Droon en Bahar hebben hun dochter laten onderduiken, ervoor gezorgd dat ze kon vluchten.

Daarop kwamen de Taliban verhaal halen. De familie zou boeten voor deze ongehoorzaamheid. Eerwraak was volgens de Taliban vereist. Vader en zoon werden in hun eigen huis neergeschoten, voor de ogen van moeder. Alleen vader overleefde het. Hij heeft de kogel nog in zijn lijf. De pijn is een dagelijkse herinnering aan de moord op hun zoon. Niet dat dat nodig is, want ze denken alle dagen aan hem.

“Elke nacht zie ik mijn zoon voor me”, zegt Bahar, “elke nacht ben ik wakker met hem”. Droon raakt haar even aan. Ik moet denken aan de woorden van Koning Willem Alexander in het interview met Wilfried de Jong, over zijn moeder en het overlijden van Friso: “En dan zie je wat het met een moeder doet als ze haar kind kwijtraakt.” Ze is stuk. “Ons leven is kapot”, zegt ze.

Om te overleven vluchtten ze uit Afghanistan. De eerwraak was nog niet volledig ingelost, immers. De IND gelooft hen niet, daarom kregen ze geen vergunning om hier te blijven. Volgens de IND zou hun leven in Afghanistan geen gevaar lopen. Droon en Bahar weten zeker van wel. Zij kennen de Taliban. De Nederlandse overheid heeft al geprobeerd om hen uit te zetten naar Afghanistan, maar kreeg het benodigde papierwerk niet geregeld. Dus werd het echtpaar op straat gezet.

Hij is aan zijn hart geopereerd, staat onder behandeling bij een cardioloog en heeft COPD. Van zijn longen functioneert nog maar een kwart. “De IND heeft ons in de steek gelaten”, zegt Droon, “ze hebben ons leven nóg moeilijker gemaakt. Op straat leven… wij waren respectabele mensen.” Hij kijkt vertwijfeld. Ze zijn INLIA eeuwig dankbaar voor het feit dat ze nu onderdak hebben en toegang tot medische hulp.

De juridische afdeling van INLIA kijkt of het echtpaar op medische gronden alsnog in Nederland mag blijven. Droon: “Wij hopen op menselijkheid bij de autoriteiten.” Het is, zegt een collega naderhand, een hoop die we in Nederland mogen koesteren.