Over het avondmaal in de Rooms-Katholieke kerk

Toen het mooie Leerhuis van Riet Bons-Storm afgelopen was, vroeg dominee Tjalling Huisman of iemand een verslag kon schrijven voor het Kerkblad. In het vorige Kerkblad hebt u dat kunnen lezen. Hieronder de reactie van een katholieke deelnemer. Het Leerhuis van Riet heeft veel in me losgemaakt. Ik vond het fijn om erbij te zijn – al kon ik maar twee van de vier keer-  en werd getroffen door de theologische ernst waarmee protestantse christenen hun geloof willen verantwoorden en verwoorden. Bij (veel) katholieken zit het geloof wel diep, maar houdt de persoonlijke verwoording daar geen gelijke tred mee. Bijbellezen, theologische boeken lezen – dat is niet zo wijd verbreid als bij ‘jullie’. Ik schrijf wel ‘bij jullie’, maar voel geen principieel verschil tussen onze kerken. Wel een verschil in houding ten aanzien van de traditie, en daarmee van een traditionele formulering als brood en wijn, lichaam en bloed.  Daar hebben de deelnemers aan het Leerhuis moeite mee. Sommigen zouden de formulering ‘lichaam en bloed’ het liefst afschaffen. Daar wil ik wel graag mijn visie en beleving naast leggen. Die moeite heb ik namelijk in het geheel niet.  Aan de traditionele katholieke en oosters-orthodoxe opvatting werd in het Leerhuis voldoende aandacht besteed – dat ga ik niet dunnetjes overdoen. Maar ik wil wel  verduidelijken, hoe ik erin sta, en hoe veel katholieken erover denken.

Er wordt in onze kerk heel verschillend over gedacht, omdat de katholieke kerk zo oud is en zoveel verschillende tradities in zich bergt. Bovendien is het een wereldkerk: een kleurrijke mengeling van volkeren, die de boodschap van de Schrift met hun eigen culturen hebben verweven. Onder die grote paraplu vind je enerzijds de bijna letterlijke opvatting dat brood en wijn Lichaam en Bloed van Christus zijn en anderzijds dat het delen van brood en wijn in navolging van de Messias betekent dat je je leven wilt delen, en dat dit nieuwe gemeenschap sticht: het begin van het Koninkrijk Gods. (Denk bijvoorbeeld aan de Basisgemeenschappen in Zuid-Amerika, of de Sant’ Egidiobeweging en ATD/Vierde wereld in Europa.)

Die pluriformiteit bestaat al eeuwen lang. Al vóór de Reformatie waren er bewegingen met als ideaal de evangelische armoede en dienstbaarheid. Denk aan de Waldenzen, Hussieten, Begijnen, Moderne Devoten, en aan kloosterorden als de Dominicanen, Franciscanen, Karmelieten, Augustijnen en vele andere. De katholieke kerk was niet één en al decadentie en corruptie waardoor de Reformatie er wel moest komen; er waren ook binnen de kerk al corrigerende bewegingen. En mystieke stromingen, die het geloof innerlijk en diepzinnig beleefden en alle uiterlijk vertoon schuwden. (Erg jammer dat het tot een kerkscheuring gekomen is! En erg fijn dat in onze tijd de kerken weer naar elkaar toegroeien en elkaar waarderen.) Die grote verscheidenheid binnen de katholieke kerk is gebleven. Ga je nu naar een klooster, dan zijn alle gasten, ongeacht hun achtergrond, welkom aan de Eucharistie. Maar kom je bijvoorbeeld voor een begrafenis in een katholieke kerk waar een pastoor voorgaat die de vernieuwingen van het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) grotendeels terugdraait, dan kan het gebeuren dat die uitdrukkelijk zegt dat “alleen zij die katholiek zijn en ook daadwerkelijk katholiek leven” de communie mogen ontvangen. En in Spanje zag ik jongeren die vóór de communie nuchter bleven, zoals wij allemaal, 50 jaar geleden, maar nu niet meer. Duizelt het je al? De verschillen zijn dus groot. En het vreemde is: al die verschillende opstellingen heb ik zelf beleefd in mijn eigen katholieke vorming en ik kan ze nog steeds meevoelen. Behalve wanneer mensen uitgesloten worden! Dat is nu net wat Jezus volgens mij niet bedoelde. In het ziekenhuis en het verpleeghuis ging ik wekelijks rond met de communie (het geconsacreerde brood), voor de zieken op de afdelingen. Op de Intensive Care van het St. Radboudziekenhuis gaf ik eens de hostie aan een patiënt met de woorden die daarbij horen:  ‘het lichaam van Christus’. Te midden van alle piepende apparaten was dat een woord uit een andere werkelijkheid: Christus is concreet, lijfelijk bij jou, in dit brood. Natuurlijk symbolisch, en toch ‘echt’. De vrouw was tot tranen toe geroerd. Op dat moment zag ik eens te meer de kostbaarheid van dit ‘heilige brood’. En besefte  dat er verschillende werkelijkheden en taalvelden door elkaar lopen: alle met hun eigen waarde. Een mens wordt aangesproken op verschillende kwaliteiten. Zoals het infuus de vrouw aansprak op haar patiënt-zijn,  zo sprak de hostie haar aan als kind van God. Een verborgen werkelijkheid, maar niet minder waar. Voor iemand die die taal verstaat is ‘het lichaam van Christus’ een diepe steun. Maar ik kan me ook goed vinden in de meer protestantse wijze van vieren. Voor mij is het ten diepste ook ‘Eucharistie’! We brengen dankend brood en wijn, de tarwe en de druiven (door het werk van onze handen tot brood en wijn geworden) voor Gods aangezicht en, in navolging van Jezus, bidden we om de Geest over deze gaven. Jezus duidde deze gaven als zijn lichaam en bloed, vooruitwijzend naar zijn zelfgave uit liefde en trouw. “Doet dit tot mijn gedachtenis.” De vraag is: wat is ‘dit’? Is dat het delen, is dat de zelfgave, of allebei? Ik houd het op het laatste: het is allebei: delen en zelfgave.  Jezus’ woorden: ‘dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed’ moeten dus steeds weer worden vertaald: wat betekenen ze?  En wat houdt het rituele delen van brood en wijn in voor de praktijk van ons dagelijkse leven?  Ik ben dus vóór het behoud én de vertaling van die traditionele woorden, in  plaats van ze helemaal af te schaffen.  2000 jaar traditie is te kostbaar. Ik meen dat het Augustinus was die bij de Eucharistie zei: “Ontvangt wat u bent: lichaam van Christus, en wordt wat u ontvangt: lichaam van Christus.”

“Zoals het lichaam van Christus en het bloed van Christus, wanneer u ze eet en drinkt, in u veranderen, zo verandert u, wanneer u gehoorzaam en godvruchtig leeft, in het lichaam van Christus.”( preek 228B,  zie de website van het Augustijns Instituut, Utrecht)  Augustinus verwijst ook naar Johannes 6,51 : “en het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld is mijn lichaam”. Ook Paulus noemt de christengemeente lichaam van Christus: 1 Korinthe 12:12 en 13: Want zoals het lichaam één is en veel leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, hoewel het er veel zijn, één lichaam zijn, zo is het ook met Christus. Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij dat wij Joden zijn, het zij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn van één Geest doordrenkt.

Voor de vieringen in de verpleeghuizen waarin ik voorga heb ik zelf enkele gebeden bij brood en wijn samengesteld. Dat zijn communiegebeden: dat wil zeggen dat we het in een eerdere Eucharistieviering geconsacreerde brood uitdelen. Als vrouwelijke pastor ben ik uitgesloten van het priesterschap en mag dus niet voorgaan in de Eucharistie. Dat vind ik eerlijk gezegd niet wijs en een antireclame voor de christelijke boodschap, maar het is een traditie van 2000 jaar. Echter het geeft ook een zekere vrijheid om een eigen invulling te geven aan de Tafeldienst, omdat ik niet gebonden ben aan de precieze formuleringen van de van hogerhand goedgekeurde Tafelgebeden.

In de verpleeghuizen is de viering sowieso altijd oecumenisch; protestant en katholiek ontvangen er van harte en eerbiedig samen brood en wijn.  En daar zeg ik bij: laat het voor u de betekenis hebben die het in uw eigen traditie heeft. Daarmee lopen we vooruit op  allerlei kerkordes, zeker op de katholieke. Maar we doen het toch maar zo, ergens onder het randje van die grote katholieke paraplu.

Een zusterlijke groet uit Oosterwijtwerd,

Marika Meijer

 

PS

Van een (katholieke) collega kreeg ik deze aanvulling toegestuurd, een waarin velen van ons zich -denk ik- kunnen vinden:

In Lima (Peru) vond in 1982 binnen de Wereldraad van Kerken de afronding plaats van meer dan 50 jaar denken over doop, maaltijd en ambt, de laatste jaren daarvan ook met officiële R.K.-vertegenwoordigers. 

In deze teksten wordt gepoogd om de oude controversen te overstijgen, door op grond van een gezamenlijk hernieuwd lezen van de Schriften vijf kenmerken aan te wijzen van de Maaltijd des Heren. Deze zijn: 

  • dankzegging aan God (er staat: de Vader, vanwege Vader-Zoon-Geest)
  • gedachtenis van Christus
  • aanroeping van de heilige Geest
  • maaltijd van het Koninkrijk
  • gemeenschap van de gelovigen