Onder de toren 6

Ik las er over in dagblad Trouw: het boek Mintijteer van Esther Maria Magnis. Het is een autobiografische verhaal van de schrijfster over het gezin waarin ze opgroeit en over haar geloof. Boven de recensie staat: het boek schreeuwt en vloekt met zinnen om in te lijsten.

Het schreeuwt en vloekt niet alleen, het schopt ook  tegen mijn schenen. Het is een felle aanklacht tegen christelijkhumanistischburgerlijk geloof. Het is prikkelend en pijnlijk, en daarom schept het ruimte en geeft het opluchting. Ik ben er nog in aan het lezen, maar wil een paar passages met u / jullie delen.

“….en dat neem ik de kerk kwalijk. Dat die mij het gevoel gaf dat ik het leven van een geëngageerde gymnasiumleerling moest leiden, of van een keurige bakvis uit de jaren zeventig die giechelt bij het woord ‘knuffelen’ en die zo fijn in opstand komt tegen het gezag….Zo burgerlijk had ik God niet leren kennen. Ik had weliswaar geen idee wat hij van me wilde, maar hij interesseerde mij gewoon, er was iets wat mij aan hem verbond. Zijn God zijn. Zijn werkelijkheid. Maar wat ik van hem hoorde maakte hem tot burgerman, een moraalridder, die voor de aardigheid had bedacht dat mensen zondags naar de kerk moesten – waarom? Geen flauw idee. Dat doe je nou eenmaal. Mijn verhouding tot God leek steeds meer op een soort platgetrapt stukje kauwgom, waar teveel mensen al op gesabbeld hadden.”

Een paar bladzijden verder:

“……dan werden mijn gedachten tot een gebed. Dat raakte een snaar. Niet zo vaak, maar toch met een zekere regelmaat, ging de wereld kort open, en een onbegrensd en volkomen ‘Ja’ stemde met mij in, hoewel ik niets had gedaan of gezegd, niets anders dan op de rand van mijn bed zitten. Alleen maar Ja. En als ik eerlijk ben, dan vond ik dat op den duur, ook al was het mooi – te weinig.

Want ‘God wil geen schijnheilige gebeden, hij wil daden zien’ zo had ik geleerd. En die geest heeft mijn geloof bedorven.”

Tot zover het citaat. Dat klinkt veelbelovend tegendraads, ik verheug mij er op het boek verder te lezen en misschien eens in een leerhuis te bespreken.

Domie Tjalling