November 2013

“Toen stierf Mozes”.

Verhalen uit het eerste testament zijn boeiend en leerzaam. Ze vertellen over God en mensen op een onverhulde manier. Concrete verhalen over geloof en ongeloof, over politiek en erotiek. Over menselijke overwinningen en menselijk falen. Menselijke emoties die ook vandaag heel herkenbaar zijn. Het gebeurt niet zo vaak dat alleen een verhaal uit het O.T centraal staat in de eredienst. Vaak (te vaak) wordt het gelezen als een opstapje naar een lezing uit het 1e test. Soms lijkt het wel of een verkondiging niet echt is als het niet over Jezus gaat. Of dat de verhalen moeten worden uitgelegd als een voorafschaduwing van de komst van Christus. Volgens mij doet dit onrecht aan de waarde van het 1e test. Ergens las ik eens dat God zich in Jezus Christus naar de aarde keert. Maar dat heeft God vanaf den beginne toch al gedaan. Het joodse volk kende de omgang met God al eeuwen voor Jezus op aarde kwam. Gelukkig komt er de laatste jaren ook binnen de kerken meer waardering voor dit geloofsboek van Israël.

Neem nu het verhaal van Mozes. Wat heeft die wat met zijn God meegemaakt en wat heeft God wat met zijn dienaar Mozes meegemaakt. Een slopend bestaan was het geweest om dat slavenvolk door de woestijn te leiden op weg naar het beloofde land. Een tocht met alleen een visioen voor ogen. Met een volk dat het steeds weer liet afweten, zich beklaagde over hun lot en wat het ergste was zich liever tot de afgoden wendde dan te vertrouwen in de Eeuwige.

Misschien is hij nooit eenzamer geweest dan toen hij van de berg kwam met de wet Gods en zag dat zijn volk een goedkoop afgodsbeeld had gemaakt.

De volgende dag klimt hij weer de berg op en vecht voor zijn volk als God zijn hand van Israël wil aftrekken. “Het is mijn toorn die mij zo doet spreken”, zegt God tegen Mozes. Maar Mozes geeft geen krimp. ”Ja dat zal wel”, zegt Mozes, “maar wat schiet u daar mee op. Zelfs wanneer u aarde en hemel zou vernietigen, dan nog zou uw volk overleven, want dat hebt u beloofd.” Mozes de middelaar. Hij presteert het zelfs om God een ultimatum te stellen:

Van tweeën één, of u vergeeft de Israëlieten het kwaad dat zij hebben bedreven, of u schrapt mijn naam uit het boek dat Gij hebt geschreven. God mag kiezen.

Wat een verrassend beeld van God komt hier naar voren. God en Mozes als vrienden die elkaar de waarheid zeggen. Mozes heeft God nodig maar God heeft ook Mozes nodig om hun gezamenlijke droom werkelijkheid te doen worden. God niet als een vaag en ongrijpbaar  iets boven alle werkelijkheid maar Iemand die meetrekt, die zegt: “Ga maar, ik ga met je mee.”

Mozes sterft in de woestijn. God laat zijn grote vriend het beloofde land zien, maar hij zal het zelf niet betreden. We weten niet wat het motief van de Bijbelschrijver is geweest om het verhaal van Mozes hier te laten eindigen. Misschien omdat hij vond dat Mozes z’n leven was voltooid nadat hij Israël de leefregels van God had geschonken.

Leefregels om tot een door God gewilde humane samenleving te komen waarin ontferming, liefde, vrede en recht nooit zullen ontbreken. Richtlijnen niet zwaar om te volgen maar met een vrolijke muzikale ondertoon. “Uw inzettingen zijn mij tot snarenspel”, zegt de psalmist. Veel later zou Jezus komen, de tweede Mozes. Ook Hij was trouw aan zijn volk en trouw aan de Thora, de wet van God.  Ook hij ging als Mozes vertrouwelijk om met God die hij Vader noemde. Ook hij was bezield door het ideaal van een beloofd land dat hij het koninkrijk van God noemde. Ook Hij heeft het beloofde land niet mogen zien. Aan ons de taak om bij hen aan te sluiten om met God als bondgenoot dit visioen levend te houden en tekenen daarvan op te richten.

God begroef Mozes, zijn vriend, eigenhandig in het land Moab. De band is niet verbroken. “Vriendschap met de Eeuwige, blijft eeuwige vriendschap.” (Kuitert) Niemand kan zijn graf terug vinden maar wie Mozes wil eren moet luisteren naar het levende Woord dat hij vanaf de “Hoge” mee naar beneden nam en dat tot vandaag van universele betekenis is.

Mozes is gestorven en in Gods liefde opgenomen.

Op de laatste zondag van het kerkelijk jaar herdenken we als gemeente de overleden gemeenteleden en alle geliefden die ons ontvielen, dit jaar of al langer geleden.

Jezus haalt een uitspraak van Mozes aan als hem door de Schriftgeleerden een strikvraag wordt gesteld over de opstanding. Jezus antwoordt dan:  “Hij is niet een God van doden, maar van levenden, want voor God blijven al zijn schepselen leven ook al zijn ze gestorven.” Waar en hoe dat weten we niet, maar we mogen vertrouwen dat ze zijn geborgen in Gods hand en leven in zijn Licht.

Hanna Lam zei het zo:

De mensen van voorbij

zij worden niet vergeten.

De mensen van voorbij

zijn in een ander weten.

Bij God mogen ze wonen

daar waar geen pijn kan komen.

De mensen van voorbij

zijn in het licht, zijn vrij.

 

Bertus Huizing