Meditatie oktober 2016

Wat is het dat ik liefheb?

Het nieuwe Liedboek bergt een onuitputtelijke bron van gebruiksmogelijkheden in zich, zo staat het geschreven in het voorwoord. De vele toegevoegde gedichten en gedachten betekenen voor mij een extra verrijking. Zo staat er een prachtig gedicht in het themablok ‘LEVEN’  levensreis op blz. 1350.

Het gaat over de vraag: wat heb ik nou eigenlijk lief als ik God liefheb? Dit is het gedicht:

Maar, wat heb ik lief als ik U liefheb?
Niet een mooi lichaam
geen schoonheid die voorbij gaat
geen licht dat onze ogen graag zien
geen mooie melodieën van allerlei liederen
niet de fijne geur van bloemen of van parfum of zalf
geen manna en geen honing
niet een lief lichaam om te omhelzen
Dat heb ik niet lief als ik mijn God liefheb

En toch heb ik wel zoiets lief als licht
zoiets als een stem en als een geur
zoiets als voedsel en als een omhelzing
als ik mijn God liefheb
Hij is licht en klank en geur en voedsel
hij is de omhelzing van mijn innerlijke mens
waarvoor mijn ziel oplicht wat niet aan plaats gebonden is
waar klinkt wat de tijd je niet afneemt
waar een geur is die niet op de wind verwaait
waar smaken niet minder wordt door eten
waar omhelzing niet loslaat door verzadiging
Dit heb ik lief als ik mijn God liefheb.

Kerkvader AugustinusDit gedicht is geschreven door een zoekende ziel die leefde in het jaar 354 -430. Zijn naam: Aurelius Augustinus. Hij was theoloog, filosoof en bisschop van Hippo in N. Tunesie. Augustinus koos voor een eenvoudig leven in een klooster en hij was op zoek naar een zuiver godsbegrip. Hij vraagt zich af: hoe kom ik tot een juiste levenswijze en ziet zijn leven als een reis. De reis als beproeving van een terugkeer naar de verloren eenheid van het volledige zijn in God. Hij draagt altijd die onuitroeibare onrust in zich: een verlangen naar een vervulling, een volkomenheid die van God komt. Augustinus zegt:  het leven is een bestaan dat lijdt aan een gemis dat niet gecompenseerd kan worden, hoezeer ieder mens daar ook naar streeft. De beproeving in ons leven maakt deel uit van Gods bestel.

In het kortere gedicht van Augustinus op blz. 1351 vind ik iets terug van die beproeving. Hij schrijft :

Op de plaats waar ik was,
wanneer zocht ik U daar?
En U stond gewoon voor me!
Maar ik was ook van mijzelf weggelopen
en kon mezelf niet meer vinden
laat staan U!

Wanneer zocht ik U daar en u stond gewoon voor me! Wat een troostvolle zin. Hoe vaak lopen wij van onszelf weg en zijn de goede weg een poosje kwijt? Dan helpt het niet dat we diep van binnen weten dat God er altijd is.  Zijn naam zegt het ons: Ik zal altijd bij je zijn. Altijd, ook al zijn we niet in staat dat altijd te ervaren

Beide gedichten laten een mens zien van alle tijden. Of je nu in het jaar 400 leeft of in 2016. We zijn in ons leven toch voortdurend bezig met vragen en gevoelens van verwachting en hoop. En dan is hier een mens die woorden vindt om tot uitdrukking te brengen waar het werkelijk om kan gaan. Om die goddelijke liefde te zien en te ervaren, dan gaat het zo vaak om die kleine wonderlijke ervaringen, bv. In een ontmoeting, een glimlach, een omhelzing, in de muziek of in de stilte. Augustinus bleef zijn hele leven zoeken, ook al was hij zich bewust dat hij zelf al gevonden was. Dit zei hij tegen God: Mag ik U zo zoeken dat mijn ziel kan leven, want mijn lichaam krijgt leven van mijn ziel en mijn ziel krijgt leven van U.  Deze woorden uit een ver verleden kunnen mij ontroeren en ook dat is een sprankje van Gods liefde.

Elske Kramer