Meditatie oktober

Schade aan de ziel

Als u wel eens een partijtje Sumoworstelen wilt proberen, maar niet het figuur van een Japanse worstelaar heeft, kunt u daar tegenwoordig een Sumopak voor huren. Het is opblaasbaar of gevuld met schuimrubber, en je kunt er lekker in buitelen en tuimelen zonder je pijn te doen. Als de pret uit is pel je het pak weer af en ben je weer jezelf. Dat geldt natuurlijk niet voor echte Sumoworstelaars en andere extreem dikke mensen: die kunnen hun pak niet zomaar uittrekken, hoewel ze dat misschien wel graag eens zouden willen.

Veel Nederlanders — het worden er steeds meer — ervaren hun vetlaag als een belemmering en ze proberen af te slanken. Dat kost moeite, strijd en teleurstelling, maar toch blijven velen het heldhaftig proberen. Want een mens wil niet vereenzelvigd worden met zijn vet. Dat is maar een buitenkant en het gaat om de binnenkant.

Het leven zadelt ons niet alleen op met een Sumopak, maar ook met een Adams of Evakostuum. Als we klein zijn krijgen we er al mee te maken, maar in onze puberteit worden we er heftig mee geconfronteerd. Dan krijgen we een baard, of borsten, en worden dus man of vrouw. Ook daar is niet iedereen blij mee. Sommige mensen hebben het gevoel dat ze het verkeerde kostuum aanhebben en proberen dat alsnog te veranderen.

Maar ook mensen die zich doorgaans wel op hun gemak voelen in hun mannen of vrouwenrol ervaren die rol soms als een beperking. Vrouwen die door mannen altijd als seksobject worden behandeld. Mannen die hun kind maar zelden mogen zien en wel wilden dat ze niet de vader maar de moeder van dat kind waren.

Als we oud worden begint ons mannen of vrouwenpak te verdorren en te vergrijzen. Voor sommige mensen is dat een bevrijding. Eindelijk geen kinderen meer te hoeven baren en verzorgen. Eindelijk niet meer met andere mannen te hoeven wedijveren. Eindelijk tijd voor jezelf. Want ‘jezelf’ is niet hetzelfde als je mannen of vrouwenrol.

Wat is ‘jezelf’ dan wel? Wat is die binnenkant? Een voor de hand liggend antwoord is: ‘jezelf’ is datgene wat overblijft als je je buitenkant hebt uitgedaan, of afgepeld. En dat hoeft niet alleen iets lichamelijks te zijn.

In het middeleeuwse toneelstuk ‘Elckerlijc’ moet de hoofdpersoon, die de mens voorstelt, de reis naar het einde van zijn leven maken. Hij ziet dan dat al zijn bezit en kennis, al zijn familie en vrienden, hem in de steek laten. En niet alleen die, maar ook zijn vijf zintuigen, Schoonheyt, Cracht, en zelfs ‘Vroetschap‘, zijn verstand. Dat moet ook, want ze belemmeren de mens op zijn reis naar het einde, dat wil zeggen in de uiteindelijke confrontatie met zichzelf.

Dat geldt niet alleen voor het uur van onze dood. Alles wat we goed menen te kunnen, alles waar we trots op zijn, kan een belemmering worden, een Sumopak waarin we ons onkwetsbaar wanen. Dat pak kan ons het zicht benemen op onze eigen kwetsbaarheid en pijn en ongevoelig maken voor de mensen om ons heen.

Onze jeugd, onze schoonheid, onze kracht, onze intelligentie, zijn gaven van God, en komen ons in het dagelijks leven goed van pas, maar kunnen tot een belemmering worden in onze relaties met onszelf en met onze naaste.

In de Boeddhistische leer is het uittrekken en afleggen van al deze Sumopakken een belangrijke taak van de mens. Laag voor laag pelt de geestelijke mens alles van zich af wat niet wezenlijk is om uiteindelijk de Verlichting te bereiken. Ook in de leer van Christus is het doordringen tot de kern van ons wezen van het allerhoogste belang. Maar hij vraagt ons niet die kern ook nog te laten oplossen in Verlichting. Die kern is juist wat Jezus in ons probeert aan te spreken en tot spreken uit te nodigen.

Die kern wordt in Christelijke taal onze ziel genoemd. De ziel is essentieel, of in Bijbelse taal, ‘onsterfelijk’; al het andere in ons, dat vergankelijk is, wordt ‘vlees’ genoemd. In Lukas 9:25 lezen we dat Jezus zegt: ‘Want wat baat het een mens, als hij de gehele wereld wint, maar zichzelf verliest of zelf schade lijdt?’ Diezelfde vraag komt in iets andere woorden terug in Markus 9:36 (en ook nog in Mattheüs 16:26) als ‘Want wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden?’ Ons ware zelf is onze ziel.

Als al onze oneigenlijke lagen zijn afgepeld blijft de ziel over als ons eigenlijke wezen. Verder dan dat hoeven we niet te pellen: de ziel is juist datgene wat ons van binnen uit verlicht. En zelfs als we onze ziel niet helemaal bloot en schoon aan God kunnen aanbieden is Hij voor ons bereikbaar. Jezus leert ons dat God de roepstem van onze ziel herkent, beter dan wij die zelf herkennen. Jezus leert ons wie wij in ons diepste wezen zijn, en helpt ons om onze persoonlijkheid vanuit die kern een nieuwe gestalte te geven. Een mens te worden die leeft in contact met onze ziel en met God.

We leven in een tijd waarin iedereen voor de wet gelijk is en niemand zich door een ander de wet laat voorschrijven — kinderen nog het minst van allemaal. In zo’n wereld wordt je telkens weer wijsgemaakt dat niemand beter weet wat goed voor jou is dan jijzelf. Die boodschap gaat er bij de meeste mensen in ‘als Gods woord in een ouderling’. Maar wie is eigenlijk die ‘jijzelf’ die meent te weten wat goed voor ‘jouzelf’ is? Is dat wel je diepste, ware zelf? Is het geen verlangen of verslaving in de buitenste schillen van je persoonlijkheid?

Als gewone mensen dragen we zoveel Sumopakken, die onze ziel in haar bewegingen belemmeren en beknellen, dat we onze diepste lagen nauwelijks kunnen bereiken. Om onze ziel te herkennen, om te leren wie wij eigenlijk zijn, hebben we Jezus’ voorbeeld en aanwijzingen nodig. Als wij aan ons oppervlakkige zelf blijven vasthouden, blijven we eenzaam.

Jezus spoort ons aan, niet in ons oppervlakkige zelf te verzanden. Hij helpt ons om ons vastgeroeste ‘leven te verliezen’. Zodat we bevrijd aan ons ware leven kunnen beginnen, in contact met God en met onze medemensen.

Henk Dragstra