Meditatie november

De Herder

Op 23 november herdenken we in onze kerken de gestorvenen van het afgelopen jaar. Hun namen zullen in de kerkdienst genoemd worden en we ontsteken dan voor ieder van hen een kaars. We staan stil bij hun leven, hun heengaan en het afscheid dat we van hen hebben moeten nemen.

Psalm 23 is  bij veel rouwdiensten de centrale Bijbeltekst. Maar als de je de tekst op je in laat werken is dat eigenlijk niet vreemd? Want hoe begint de psalm?

De HEER is mijn herder,
het ontbreekt mij aan niets.

Hoezo ontbreekt het aan niets als we iemand hebben verloren aan de dood? Dit vers staat toch helemaal haaks op wat wij ervaren bij een afscheid. Waarom lezen we dat dan bij begrafenissen? Dat staat er toch veel te veel mee in spanning?

Die spanning is trouwens ook in de psalm aanwezig. Want even verder staat het volgende:

Al gaat mijn weg
door een donker dal,

Eerst ontbreekt het aan niets, maar in het donkere dal ontbreekt het aan alles. De duisternis ontneemt een mens het zicht op een toekomst. In veel liederen en ook in de Statenvertaling wordt deze duisternis met de dood geassocieerd. Dat is de schaduw die over heel het leven valt. Leven en dood zijn intens met elkaar verbonden. Dat is een open deur. Het wordt nogal eens nuchter vastgesteld. Maar die nuchterheid en die rationaliteit zijn vaak manieren om het gevoel dat dood oproept te verdringen. Want waar we werkelijk de schaduw van de dood ervaren, is dat heel ingrijpend. Het roept heftige emoties op. De dood laat ons niet onberoerd. Ook de psalmdichter David niet. De psalm breekt in dit vers.

David vervolgt met:

ik vrees geen gevaar,
want u bent bij mij,

Spreekt de dichter in de vorige verzen over God als herder, hier spreekt hij tot God. De psalm wordt intiem. het doet denken aan twee verliefde mensen die in de oorlog tegen elkaar zeggen: Al mag ons ook alles worden afgenomen, als wij elkaar maar houden. En zelfs dat gebeurde niet altijd in de oorlog. Maar hier in de psalm zegt de dichter hetzelfde tot God. Als U maar bij mij bent, in het ergste gevaar, in de grootste nood, in het intenste verdriet, als u maar bij mij bent, dan ben ik veilig en geborgen. Dan kan niets mij werkelijk deren. Want uw liefde blijft mij dragen, bij U vind ik de weg naar het leven terug. Als U mij maar vasthoudt.

En die liefde tot God is een antwoord op zijn liefde, die heel de psalm geschilderd wordt in pastorale beelden: vredig water en groen gras en een overvloedige maaltijd.

In het evangelie wordt op een onverwachte, haast verborgen manier teruggegrepen op deze beelden van  de psalm. In Marcus 6:34 ziet Jezus de menigte die hem gevolgd is naar de overkant van het meer vol mededogen aan omdat ze lijken als schapen zonder herder. En dan vraagt Hij de leerlingen hen te eten te geven, maar deze blijven in gebreke. En dan staat er dat hij de mensen de opdracht geeft in het groene gras te gaan zitten. Dat het gras groen is lijkt hier overbodig te zijn, maar het is een toespeling op psalm 23. En dan breekt hij de broden en de vissen en geeft iedereen een overvloedige maaltijd. De maaltijd die de Heer ook aanricht in psalm 23. Een maaltijd die verwijst naar het avondmaal en het grote bruiloftsmaal van de eindtijd. Die maaltijd is het beeld voor het definitieve heil, het eeuwige leven waar God ons voor heeft bestemd. Dat is waar wij naar onderweg zijn. Daar leidt de Herder ons naar toe.

Ik keer terug in het huis van de HEER tot in lengte van dagen.

Zo eindigt de psalm. Dat wij niet uit de hoede van de Heer vallen, geeft ons leven nu al glans. Het geeft ons de moed onze doden te herdenken, omdat wij ons geborgen weten, nu al in dit leven hier en nu. Wij komen nu al thuis in verbondenheid met hen die ons ontvallen zijn. Thuis komen bij God kan een mens ook nu.

ds. Marco Roepers