Meditatie maart 2018

Aan de oever van de rivier

Toen ik een kleine jongen was hoorde je op de radio vaak het liedje ‘Daar bij de waterkant”. De meneer die het zong, Eddy Christiani, herinnerde daarin zijn vrouw eraan dat hij haar voor het eerst bij de waterkant had ontmoet. “Ik vroeg of jij me kussen wou, daar bij de waterkant”, zong hij. Het meisje “kreeg een kleurtje en zei: ‘Nee,  Hoe komt u op ’t idee, u bent beslist abuis!’” Maar Eddy hield vol, en “na verloop van nog geen jaar, werden wij een paar; stonden wij samen op de stoep van het stadhuis!”. Ik wist niet beter of het was een typisch Hollands liedje, over een aardig meisje, op een aardig wijsje.

Pas toen ik wat ouder werd, en Engels leerde, kwam ik er achter dat het lied van oorsprong helemaal niet Nederlands is, maar een Negro Spiritual, ‘Down by the Riverside”. Het begint met “Gonna lay down my burden down by the riverside”, en dan zitten we al midden in de plantages van het Amerikaanse Zuiden. Slaven die worden uitgebuit en mishandeld dromen ervan hun zware last van zich af te leggen, aan de oever van de rivier. Die rivier zou het water kunnen zijn dat het leven van de dood scheidt, of een symbool van Gods majesteit. Maar in ieder geval is het een weg naar de vrijheid: slaven die probeerden te vluchten werden achtervolgd met speurhonden en de enige kans om aan die verscheurende beesten te ontkomen was de rivier ingaan en pas een heel eind verder weer opduiken. In het refrein van het lied belooft de zanger zichzelf dat hij zich niet langer met strijd zal bezig houden, maar rust zal vinden.

Het oorspronkelijke lied heeft dus heel wat meer diepgang dan de Nederlandse vertaling. In handen van een commerciële zanger kun je verwachten dat die hoop, dat verlangen, dat gebed, verloren gaan. In een kerkelijke omgeving zou het lied met meer respect en zorgvuldigheid zijn behandeld.

Dat zou je denken. Maar aan die zorgvuldigheid ontbreekt het nog wel eens als een lied wordt vertaald.

AfbeeldingsresultaatNeem bijvoorbeeld ‘God be with you till we meet again’. De tekst is van Jeremiah E. Rankin, dominee in een kerk in Washington, in 1882. Die kerk was een kerkkoor rijk, en Rankin schreef de woorden bij wijze van afscheidsgroet, die het koor kon zingen als het aan het eind van een repetitie uiteen ging. Het lied leek Afbeeldingsresultaatdaarin een beetje op de zegen aan het eind van een kerkdienst. De prachtige melodie waarop het in de Nederlandse kerken bekend is, werd in 1906 geschreven door de Engelse componist Ralph Vaughan Williams.

In het nieuwe Liedboek vinden we het als nummer 416, in een vertaling van Gert Landman. Het zinnetje  “God be with you till we meet again” wordt in het oorspronkelijke lied vele malen herhaald, en in Landman’s vertaling vinden we even vaak “Ga met God en Hij zal met je zijn”.

Misschien komt het door die vele herhalingen dat ik me bij dat Nederlandstalige lied wat ongemakkelijk ga voelen. “Ga met God en Hij zal met je zijn”— eerst klinkt het als een vrome aansporing, maar wat zegt het nu eigenlijk? Als je erover

 nadenkt is het een dooddoener, twee keer hetzelfde in verschillende bewoordingen. Hoe zou je met God kunnen gaan als Hij niet met je was? Je kunt toch ook niet met Marie gaan wandelen als Marie niet bij je is?

Of wordt ons hier een les gelezen, in de trant van  “Leef Gods wetten na, dan zal hij je steunen?” Dat roept dan bij mij weer nieuwe vragen op. In het Engels wensen de zangers elkaar Gods aanwezigheid zonder voorbehoud en zonder voorwaarden toe. Er klinkt een gevoel van saamhorigheid in: bij het uiteengaan elkaar zegen toewensen, en hopen dat je elkaar straks weer terugziet. Maar de Nederlandse versie doet daaraan geen recht. Misschien kon de vertaler geen precies op de melodie passende tekst bedenken: vond hij “God zij met U tot ons wederzien” te ouderwets? Hoe dan ook, Rankin’s woorden getuigen van persoonlijke betrokkenheid, warmte en hoop; de vertaling geeft ons in plaats daarvan alleen een vroom opgeheven vingertje.

Vroom opgeheven vingertjes, daar hebben wij Nederlanders een handje van. Dat valt me nog meer op bij een ander lied, ook op een mooie melodie, het Franse ‘Dans nos obscurités’ (598 in het Liedboek). Het is een korte tekst ontstaan in de gemeenschap van Taizé en op muziek gezet door Jacques Berthier, die veel religieuze melodieën heeft geschreven. Sommige ervan zijn cantilenes, geschikt om vaak te worden herhaald: ‘Ubi caritas’ en ‘Nada te turbe’ zijn bijvoorbeeld ook van hem. Van zulke vaak herhaalde korte teksten mag je verwachten dat ze diepe waarheden verwoorden.

En in het origineel wordt die verwachting bewaarheid. De tekst staat in het liedboek in het Frans weergegeven: “Dans nos obscurités allume le feu qui ne s’éteint jamais”. Plompweg vertaald betekent dat: ‘Steek in onze duisternissen het vuur aan dat nooit uitgaat’. Het is duidelijk dat er slechts één enkel iemand wordt opgeroepen een vuur aan te steken: het gebruikte woord is ‘allume’, de tweede persoon enkelvoud van het werkwoord. De oproep wordt gedaan door een veelvoud van mensen (‘nos obscurités’). Ze bekennen dat ze zijn gehuld in duisternis, ieder in zijn of haar eigen duisternis, en dat ze vuur en licht nodig hebben. Ze vragen niet zomaar om een vuur dat nooit uitgaat, maar om hèt vuur (‘le feu’). Dat verzoek is onmiskenbaar gericht tot God, die in het Frans met ‘tu’ (gij of jij) wordt aangesproken (niet met de beleefdheidsvorm ‘vous’ zoals Nederlanders misschien zouden verwachten).

Er bestaat een goed zingbare vertaling die deze betekenis zorgvuldig weergeeft:

In onze duisternis
Ontsteek, Heer, het vuur dat nooit meer doven zal

 Maar de samenstellers van het nieuwe Liedboek hebben daar niet voor gekozen.  Voor zangers die het Frans niet machtig zijn hebben ze de volgende vertaling toegevoegd:

Als alles duister is,
ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft.

In deze vertaling is niet duidelijk dat ieder in zijn eigen duisternis zit opgesloten, en ook niet wie daar iets aan moet gaan doen. Het klinkt meer als: ‘Kom op jongens, als het even tegenzit de handen uit de mouwen, een vúúr moet er komen, dat nooit meer uitgaat!’ Weer zo’n vrome aansporing waar je, als je er over nadenkt, niet veel mee kunt. Waar vind je zo’n wonderbaarlijk nooit-uitgaand vuur, en wie gaat het voor ons halen?

Misschien heeft de vertaler het motto van Amnesty International in zijn of haar achterhoofd  gehad: “Het is beter een kaars aan te steken dan het duisternis te vervloeken.” Goede leus, schijnt afkomstig te zijn van een Chinese wijsgeer: maar juist zo’n wijze Chinees kent de mens goed genoeg om te weten dat wij niet beschikken over een vuur dat nooit meer dooft. Een kaars is al heel wat.

Voor een vuur dat nooit meer dooft—voor hèt vuur dat nooit meer dooft—moet je bij God zijn: God zelf is dat vuur, en Hij is tegelijkertijd het licht dat door dat vuur wordt verspreid. Het lied van Taizé is dan ook niet bedoeld als wijze raad aan geloofsgenoten, maar als gebed.

Wat de samenstellers van het nieuwe liedboek ook mag hebben bewogen, ik stel voor dat we ons houden aan de oorspronkelijke bedoeling van dit lied. Als we het in het Nederlands willen zingen, laten we dan een vertaling gebruiken die recht doet aan de aard van het lied als gebed.

Een gebed als een bekentenis van onmacht, en een overgave aan een grotere macht dan wijzelf. Als het afleggen van een zware last aan de oever van een rivier.

Henk Dragstra