Meditatie december 2013

W I N T E R W O N D E R L A N D

 Als kerst nadert waan ik mij soms in een sprookjeswereld: winterwonderland. De sneeuw dwarrelt naar beneden in etalages en tv reclames, de wereld is wit geworden. Getrokken door zijn rendieren rijdt de Kerstman in een verlichte slee over de daken van de huizen. Ergens in het witte landschap stapt hij uit een Coca Cola vrachtwagen, vrolijk roept hij ho ho ho. En soms, soms tussendoor in de muziek die over de straat dwarrelt, vang ik een flard op over een kindeke dat geboren is op deze aarde ergens in een stalletje. Het lijkt naadloos te passen in de sprookjeswereld van kerst: winterwonderland.

 Is het kerstverhaal een sprookje geworden?

Als ik het kerstverhaal van Lucas lees en ik zoek naar getuigen van wat er gebeurd is, kom ik al snel bij de herders uit. De engelen tel ik niet mee, zij zijn van een andere orde. Maar de herders, zij zijn getuige van de geboorte van het kindeke in de stal. Zij zijn getuige van de woorden van de engel dat dit kind de Messias is. Maar juist die herders, die lijken in de rest van het evangelie spoorloos verdwenen. Alsof zij niet meer dan sprookjesfiguren zijn geweest. Het gedicht van Anton van Duinkerken wees mij er op, het is bijna het mooiste kerstgedicht dat ik ken:

Omdat eenvoudigen verstaan
wat door geen ingewikkeld zoeken,
noch lezen in geleerde boeken
begrepen wordt of nagegaan,
zijn herders toen in uwe stal
geknield en hebben u aanbeden:
dit is tweeduizend jaar geleden
en nog weet elk het overal.
Geen mens heeft ooit hun naam gemeld,
de rest van hun onschuldig leven
is door geen wetenschap beschreven,
wordt slechts aan kinderen verteld.

 De herders zijn verdwenen: ‘de rest van hun onschuldig leven is door geen wetenschap beschreven.’ Zij lopen het verhaal van Lucas uit ‘terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden.’ Zijn zij daarmee sprookjesfiguren geworden, die in onze tijd naadloos overgezet kunnen worden naar een winterwonderland? Of moet ik luisteren naar wat de dichter in zijn laatste regels lijkt te zeggen: al mijn wetenschap vergeten en weer als een kind worden?

 Beide niet.

Een kind hoef ik niet meer te worden, hoe zou ik kunnen met al mijn volwassen geweet en getwijfel.

 En een sprookje?

Lucas schrijft geen sprookje, Lucas schrijft evangelie: het evangelie van Jezus Messias.  Een sprookje begint met ‘er was eens’. Maar Lucas, hij begint met ‘in die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af.’ Lucas zet de geboorte van Jezus, de Messias middenin de tijd. Middenin de tijd komt God je tegemoet, God zit niet in een sprookje verpakt. Maar zegt Lucas verder: als je God op het spoor wilt komen moet je wel middenin de tijd zijn maar niet in het midden van de macht, bij keizer Augustus. Je moet zoeken aan de rand, in Bethlehem, in een stal, in een voederbak. Daar moet je God zoeken.

 Lucas doet daarmee niet aan geschiedschrijving, hij schrijft evangelie. Dat is het goede nieuws over Jezus Messias. Een geschiedenisboek kun je dichtslaan en je kunt verder gaan met je leven zoals het was.

Dat geldt ook voor een sprookje: je kunt het aanhoren tot ‘en zij leefden nog lang en gelukkig’; daarna kun je je leven verder leven zoals het was. Maar een evangelieverhaal vraagt om iets anders: het evangelie is goed nieuws dat om antwoord vraagt. Het vraagt er om te worden doorgegeven, verteld en geleefd. Zo kom ik weer terug bij de herders: want dat is wat zij doen, het verhaal verder dragen. En precies op het punt waar de herders uit het evangelie lijken te verdwijnen, klinkt aan ons de oproep om het verhaal door te geven, voor te leven en verder te vertellen. Net als de herders. Zij zijn onze voorbeeldfiguren.

Want dankzij mensen zoals zij, heeft ook ons het evangelie bereikt.

ds Tjalling Huisman