Categorie archief: Meditatie

Meditatie oktober

DE KERK ALS GEMEENSCHAP
Een gemeenschap die het toelaat
dat er leden zijn die niet ingeschakeld zijn,
gaat aan deze leden ten gronde.
Iedere christelijke gemeenschap moet weten
dat niet alleen de zwakken de sterken nodig hebben
maar ook
dat de sterken niet kunnen buiten de zwakken.

(Dietrich Bonhoeffer)

De kerk wil ik graag als gemeenschap zien.
Je kunt over de kerk praten zonder jezelf er in te betrekken: zij (de kerk) doen ook maar wat of zij (de kerk) doen veel goeds. Je kunt over de kerk praten in de jullievorm: jullie (van de kerk) doen ook maar wat of jullie (van de kerk) doen veel goeds.

Maar ik wil over de kerk praten in de wijvorm. Iedereen hoort erbij, iedereen draagt zijn steentje bij.

Ik wil dus niet de nadruk leggen op de voorganger: natuurlijk is de voorganger belangrijk, maar het is niet de dominee die de baas is in de kerk. Dat de voorganger de baas is in de kerk, dat zie je in bijvoorbeeld de Rooms Katholieke kerk. Uiteindelijk is het de pastoor die beslist (als de bisschop het er tenminste mee eens is). Dat de voorganger de baas is dat zie je ook in Protestantse kerken wel. Soms hebben dominees alles te zeggen en kunnen zij alles bepalen.

Ik wil ook niet de nadruk leggen op de liturgie: natuurlijk is de liturgie belangrijk, maar niet het meest belangrijke van de kerk. Dat de liturgie het meest belangrijk is, dat zie je in bijvoorbeeld de OostersOrthodoxe kerk (Rusland, Griekenland en noem maar op). Het gaat daar om de juiste uitvoering van de liturgie.

Ik wil ook niet de nadruk leggen op de bijzondere liturgische handelingen die men in de kerk kan verrichten: dopen, een huwelijk inzegenen, een uitvaart begeleiden. Een kerk die daar de nadruk op legt, wordt een service instituut voor heilige handelingen.

Het is allemaal belangrijk, maar ik vind de gemeenschap het belangrijkst. De kerk wil ik zien als een groep wijzeggers. Niet maar een klein select groepje is ‘wij’, nee iedereen hoort erbij. De ouderling die ontzettend haar best doet om mensen te bezoeken. En ook de oude man die niets meer kan, dan bezocht te worden op zijn ziekbed. Iedereen hoort erbij: degene die met twee benen middenin het kerkenwerk staat, maar ook degene die helemaal aan de rand van de kerk staat. Iedereen hoort erbij, hoe buitenkerkelijk je ook bent of je voelt.

Het is belangrijk elkaar vast te houden.
De ouderling houdt de zieke man (misschien wel letterlijk) vast. Maar ook omgekeerd houdt de zieke man de ouderling (figuurlijk) vast. Degene met twee benen middenin het kerkenwerk houdt de jongere vast, die aan de rand van de kerk is beland. Maar de jongere houdt op zijn beurt ook de ander vast.

Vasthouden is niet elkaar niet kunnen loslaten.
Vasthouden is elkaar in het oog houden, elkaar door de bril van de liefde van Christus in het oog houden. Vasthouden betekent op elkaar betrokken zijn, de ander aanspreken, de ander opzoeken, open staan voor wat de ander drijft.

De kerk wil ik graag als gemeenschap zien.
De bijdrage van ieder is belangrijk. Hoe klein je bijdrage misschien ook is, hij is belangrijk.

Wij zijn de kerk.

Ds Tjalling Huisman

Meditatie september

Is wat gebeurt in Gaza in overeenstemming met ons geloof?    

gazastrookGaza is een smalle strook land aan de Middellandse Zee, ten westen van wat vroeger ‘Judea’ heette. Het is ongeveer anderhalf keer zo groot als ons eiland Texel. In Gaza wonen ruim anderhalf miljoen mensen en het is daarmee het dichtst bevolkte gebied ter wereld.

gerar

In de tijden van het Oude Testament hoorde Gaza niet bij Israël: het was het land van de Filistijnen en heette ‘het land Gerar’. Het was een zeevarende, handeldrijvende natie, bestaande uit vijf stadsstaten. Toen al waren er voortdurend conflicten tussen Gaza/Gerar en Israël. Denk bijvoorbeeld aan de geschiedenis van Simson in Richteren of de tijd van de Koningen, beschreven in 1 Samuel 13 en 14. Het handeldrijvende Israël wilde altijd al dit gebiedje met zijn lange zeekust hebben en geloofde dat God ook dit stukje land aan hen had beloofd (Jozua 13). Van ongeveer 600 vóór tot 1947 na Christus is het bijbelse Israël altijd bezet geweest. De Romeinen noemden het ‘Palestina’. De grenzen van het land van de Filistijnen vervaagden. In 1948 claimde de nieuwe staat Israël heel Palestina, ook de Gazastrook. Na de grote onlusten die daarna ontstonden tussen de Joodse Israëli’s en de Palestijnen werden volgens een besluit van de Verenigde Naties Gaza en de Westelijke Jordaanoever Palestijns gebied. In 1967 veroverde Israël deze gebieden. De Palestijnen daar leefden van toen af onder de bezetting door Israël. In 2006 won Hamas de verkiezingen in de Palestijnse Gebieden en na een conflict met de andere Palestijnse politieke partij Al Fatah bestuurt het sindsdien Gaza. Hamas is een Islamitische partij, maar zoals de JoodsIsraëlische journalist Uri Avneri in juli schreef: “Hamas is niet uit op heilige oorlog als Al Qaeda of IS. Het is niet uit op een wereldwijd kalifaat. Het is een Palestijnse partij, geheel en al toegewijd aan de Palestijnse zaak. Het noemt zichzelf: “Het Verzet” en legde niet de sharia (Islam wetgeving) op aan de bevolking”. Uri Avneri stichtte in 1993 Gush Sjalom, een JoodsIsraëlische vredesbeweging. Deze is altijd al uit op overleg met Hamas. Israël echter ziet Hamas als een terroristische organisatie. Zowel aan de Palestijnse, als aan de Israëlische zijde zijn zowel mensen die vrede willen, als politieke of religieuze fanatici.

En die raketten van Hamas dan? Die zijn niet goed te praten, zoals geweld nooit goed te praten is. En die tunnels?

Sinds 2007 legt Israël een ondoordringbare blokkade – ook op zee – om Gaza. Niets en niemand kan er dan met de grootste moeite in of uit. Er is een voortdurend gebrek aan alles, waaronder drinkwater. De economie is totaal kapot. De tunnels zijn gemaakt om aan voedsel te komen, aan water, bouwmaterialen, medicijnen en ja, óók aan wapens. Het is niet goed te praten, maar wel te begrijpen dat Hamas uiterst boos is op Israël en raketten stuurt.

In 2009 kwam er een oorlog met 1383 Palestijnse en 13 Israëlische doden. De blokkade werd verscherpt. In deze zomer werd het wéér oorlog. Al maken de Palestijnse raketten slechts zelden slachtoffers, Israël wil de raketten vanuit Gaza stoppen, dat is begrijpelijk. Maar met zoveel geweld dat er ruim 1900 Palestijnse slachtoffers en 67 Israëlische zijn?

Vredesoverleg zal alleen duurzame vrede maken als Israël de blokkade om Gaza helemaal opheft – en dus niet alleen maar vermindert zodat het leven in Gaza weer mogelijk wordt, en samen met Hamas en Al Fatah, het democratisch gekozen Palestijnse bestuur, eerlijk en open onderhandelt. Dat kan alleen als de wereld, als de kerken, daaraan meewerken door onbevooroordeeld te zijn. De Joods Israëlische politicus en schrijver Avraham Burg schreef: “De holocaust is over”. Hij vindt dat de staat Israël zich niet meer mag laten leiden door openlijk of verhuld slachtofferschap, maar dat gerechtigheid de leidraad moet zijn. En hij, als Jood, mag dat zeggen.

En wij? Hoe denken en voelen wij over de relatie Israël Palestijnen, Hamas, Gaza? Gaan de JoodseIsraëliërs God meer ter harte dan de Palestijnen?

 Riet BonsStorm

Meditatie juni

Ook als je zakt, ben je geslaagd

Graag kijk ik naar de ogen van mensen. Waarom, dat weet ik eigenlijk niet zo precies. Maar wel dat ik ogen mateloos boeiend vind om naar te kijken, om in te kijken. Ik hou van ogen. Maar ogen kunnen ook prikken. Meestal vind ik het niet leuk om ‘in de gaten gehouden te worden’. Het maakt onvrij, ik voel mij beoordeeld.

Oordeel niet, zegt Jezus.
Maar mensen oordelen voortdurend. Er is geen houden aan: steeds weer zit er een stemmetje in mijn hoofd dat commentaar op anderen geeft. En overal hoor je mensen dat stemmetje stem geven, als ze praten over een ander die er niet bij is.
Oordeel niet, dat is gemakkelijk gezegd.

Onze maatschappij strooit voortdurende oordelen rond. ‘Geniet’, is wat ons te verstaan wordt gegeven. ‘Geniet van het leven’. Anders ben je toch niet helemaal goed bezig. Als jij dat voordeel niet pakt! Als jij dat buitenkansje mist! Als jij vergeet te genieten! Dan ben jij toch gek! Dat is zonde! Er hangt ergens een scherp stemmetje in de lucht, dat mij van alles wil aanpraten. Dat mij oordeelt, als ik er niet aan meedoe.

Oordeel niet, zegt Jezus, want op grond van het oordeel dat je velt, zal er over je geoordeeld worden. Dat lijkt wel een automatisme. Met dezelfde prikkende ogen waarmee ik anderen bekijk en beoordeel, bekijk ik ook mijzelf. In de spiegel bekijk ik mijzelf: dit is niet goed, dat is niet perfect; ik zou toch echt wat meer zus moeten leven, ik zou wat meer zo moeten doen. Ik ben niet echt geslaagd, ik ben gezakt in de school van het leven.

Ik zie alleen mijzelf, vol van mijzelf is het beeld dat de spiegel mij voorhoudt. Vol van mijn imperfecte zelf. Of omgekeerd: ik ga mijzelf geweldig vinden. De hele spiegel van mijn bestaan is gevuld met het beeld van mijn perfecte zelf. Ik ben vol van mijn dikke ik, tot het moment dat iets of iemand de ballon van mijn zelfverheffing doorprikt.

Wat geen oog heeft gezien, ik zie het niet. Maar toch is er iets dat met mijn ogen niet te zien is, wat alleen met innerlijke ogen te zien is. Ik heb de neiging mijzelf blind te staren op mijn eigen imperfectie of op mijn eigen perfectie. Ik zie niet dat achter mij vol liefde naar mij gekeken wordt.

Terwijl ik in de spiegel naar mijzelf kijk met prikkende of zelfverheerlijkende ogen, zie ik niet hoe er tegelijkertijd vol liefde naar mij gekeken wordt. God die mij ziet zoals ik ben.

Met ogen die op mij rusten zonder oordeel. Ogen die tot mij spreken zonder woorden: jij bent mijn geliefde, met jou wil ik verder. Ogen die nieuwsgierig mij volgen om te zien wat er van mij gaat worden. Niet omdat er iets van mij moet worden, maar om mij.

In de hoopvolle verwachting dat ik mag groeien en bloeien in liefde en hoop en vertrouwen. Ogen die mij vragen niet aan de kracht van de verachting toe te geven, ook niet aan zelfverachting. Ogen die mij andere ogen geven. Die uitnodigen om mijzelf en de ander lief te hebben: ook als je zakt, ben je geslaagd.

Om die ogen te zien, hoef ik mij alleen maar om te draaien: God die mij ziet zoals ik ben.

ds Tjalling Huisman

Meditatie mei

Hemelvaart een vrolijk feest?

Rond Hemelvaart kan een wat trieste sfeer hangen. Het is het feest van het afscheid van Jezus, van de lichamelijke Jezus welteverstaan. De kerk, nu ja,niet alleen de kerk, de hele mensheid moet nu verder zonder dat hij er in vlees en bloed bij is. Dat werpt een soort van schaduw op deze christelijke hoogtijdag. Maar dan lied 665 in het liedboek. Dat lied heet “Om Christus’ wil zijn wij verblijd.” Blijdschap dus en het staat onder Hemelvaartsliederen. Hoe kan dat?

Dat heeft te maken met de insteek van dit lied van Ad den Besten. Laten we dit lied dan eens nader bekijken:

 Om Christus’ wil zijn wij verblijd.
Hij heeft in alle menselijkheid
– een zoon die naar zijn vader aardt –
God in het vlees geopenbaard.

 Jezus heeft God geopenbaard in al zijn menselijkheid. Dat woord “menselijkheid”. Dat betekent hier niet, niet alleen mededogen. Dat betekent het hier óók, het heeft hier meer betekenissen. Het betekent daarnaast ook als echt mens, volledig mens, 100% mens. Net zoals u en ik dat zijn, zo was Jezus ook mens. Hij was één van ons. En het is juist deze mens die God ons heeft leren kennen.

Met zijn Geest leeft hij nog steeds voort in mensen van vlees en bloed. Hij is nog steeds een van ons. Wij zijn nog steeds van dezelfde soort. Daarom leeft Hij voort in de Geest in ons mensen. Dat is de gedachte van vers 2. Tenminste zoals ik dat begrijp.

Loof Hem, die van de Geest ontving
voor altijd zijn rechtvaardiging,
de Geest, die Hem herleven doet
in mensen, menselijk vlees en bloed.

 In vers 4 zijn wij gezegend in Jezus. Omdat hij aanwezig is in het Woord. In de verkondiging van het evangelie leren wij hem kennen en komt Hij in ons bestaan. Hemelvaart is helemaal geen afscheid. Jezus blijft bij ons betrokken.

Maar is dat geen ontkenning van het element van afscheid van Jezus? Want hij is toch niet meer in vlees en bloed onder ons? Dat element komt in dit lied ook aan bod. In vers 3 wordt het verwoord.

Hij die, ontheven hemelhoog,
te stralend voor het sterflijk oog,
aan de engelen verschenen is
in ’t licht van zijn verrijzenis, –

Maar in vers 5 wordt daar de menselijkheid van Jezus in meegenomen. Jezus heeft zijn menselijkheid niet afgelegd. Dat “niet” is heel belangrijk. Hij is ook als verhoogde Heer volledig mens. Hij is in de hemel als mens met ons verbonden.  En vertegenwoordigt de mensheid bij God. En zo is hij de borg dat ons bestaan op de eeuwigheid is gericht. Zoals Jezus is, zo zullen wij zijn. Jezus is onze bestemming, voorbij dood en lijden. En dat werpt een nieuw licht op ons bestaan hier beneden. Wij zijn met Jezus verbonden en in hem verbonden met God en in hem verbonden met heel de mensheid. De mensheid is in Jezus bedoeld voor verbondenheid en eeuwigheid. Met Hemelvaart draagt Jezus de mensheid de hemel in. En dat is toch reden voor… feest!

Om Christus’ wil zijn wij verblijd,
die inging in Gods heerlijkheid
en voor Gods ogen, stralend schoon,
is wat wij zullen zijn, – de Zoon.

 

ds. Marco Roepers

Meditatie April

PASEN

Met Pasen vieren wij de opstanding van Jezus. Vaak zingen we dan liederen met Halleluja. Halleluja betekent: prijs de Eeuwige. Bij het Paasfeest hoort blijdschap, het is het feest van de hoop. Het feest van het nieuwe begin.

Tegelijk vind ik het een moeilijk feest. Dat Jezus opstaat uit de dood, hoe kan ik dat begrijpen? Want ik zie het niet om mij heen. Wat ik om mij heen zie, is dat de dood het laatste woord heeft. Niets is er zo levenloos als het lichaam van een geliefde die dood is gegaan.

Ik weet dat er mensen zijn die een bijzondere ervaring hebben meegemaakt, bijvoorbeeld een Bijna Dood Ervaring. Mooi vind ik het om erover te lezen en soms iemand zijn ervaring te horen vertellen. Maar hoe mooi en indrukwekkend ook, het is geen definitief antwoord op de dood.  Want wat je ziet is dagelijks nog duizend doden. J.W. Schulte Nordholt verwoordt het mooi in zijn gedicht Opstanding:

Zeggen ze dat Hij is opgestaan
waarom is de wereld dan dezelfde,
lijdt Hij zelf dan nog in al de zijnen,
sterft Hij dagelijks nog duizend doden,
altijd door zoals het immers is?

Weegt het lijden deze korte tijd
ook niet op tegen de heerlijkheid
die eens komen zal, is duizend jaar
als de dag van gisteren, als een droom,

altijd duurt die boze droom nog voort,
roept het bloed van Abel van de aarde,
wordt de stem in Rama weer gehoord,
altijd weer hetzelfde, Rachel weent
om haar kinderen die niet meer zijn.

En daar blijft mijn ongeloof bij staan,
dat ik net als Thomas twijfel,
enkel in zijn wonden Hem herken.

Altijd duurt die boze droom nog voort, ook in de dood van Jezus. En daar blijft mijn ongeloof bij staan. Zo komt de dichter uit bij Thomas, het ongeloof van Thomas. De leerling van Jezus die zei: Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vinger kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het (Jezus’ opstanding) geloven (Johannes 20 : 25).

Thomas, ik vind dat hij ten onrechte de geschiedenis door gaat als ‘de ongelovige Thomas’. Want hij is een grote troost voor velen. In mijn ogen is hij een groot gelovige, omdat hij de wonden van Jezus en de opstanding van Jezus bij elkaar wil houden.

De wonden wijzen hem de weg om Jezus te vinden, om Jezus te herkennen. Het is goed om het Paasfeest te vieren met blijdschap en hoop. Maar het zijn de wonden van Jezus die de weg wijzen naar wie Jezus is. Zijn opstanding laat zien dat de weg die hij is gegaan geen doodlopende weg is, maar een weg ten leven.

In alle wonden van de wereld, in al het gebrokene, is hij daar weer: Jezus. Moge de Eeuwige ons zo sterken in het geloof dat het lijden niet het laatste is, dat de dood niet het laatste is.

Het is Pasen: Halleluja: prijs de Eeuwige!

ds Tjalling Huisman

Meditatie maart

Een strijd in stilte
De geschiedenis wordt gevormd door allerlei veldslagen die de loop ervan een wending hebben gegeven. Het meest duidelijke voorbeeld hier is de slag bij Waterloo waar Napoleon in 1815 met moeite werd verslagen. Er werd definitief afgerekend met de Franse overheersing van Europa. Het was de basis voor het voorbestaan van het Koninkrijk der Nederlanden en de hegemonie van het Britse rijk in de wereld die meer dan 100 jaar zou duren.
In het Nieuwe Testament zien we ook een slag die de loop van de geschiedenis zou overheersen. Het vond plaat in de hof van Getsémané, een olijfgaard aan de rand van Jeruzalem, vlak voordat Jezus gevangen werd genomen Je kan niet zeggen dat dat zonder slag of stoot gebeurde. Er werd juist hevig gevochten en Jezus stond helemaal alleen. Zijn leerlingen, degenen die het dichtst bij hem stonden waren in slaap gevallen.
Maar het was een gevecht in stilte. Een strijd die Jezus niet met wapens voerde maar in gebed. Jezus streed tussen angst en overgave. In die angst is Jezus zo herkenbaar. Wie zou er niet bang zijn als zo’n vreselijk lot je stond te wachten? Iedereen zou dat zijn. In het gebed van Jezus wordt de angst voor wat er gebeuren gaat heel duidelijk onder woorden gebracht:
“Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan!”
Maar aan de andere kant is er ook de overgave. Jezus onderwerpt zich aan de wil van zijn Vader.
“Maar laat het niet gebeuren zoals ik het wil, maar zoals u het wilt.”
Zo vindt er een gevecht plaats in het gebed. Een gebed waarin Jezus tot aanvaarding komt van zijn missie. Zijn missie die het Koninkrijk van God op aarde sticht. Deze veldslag is een belangrijke mijlpaal in de komst van dat koninkrijk. Maar hoe anders dan de slag bij Waterloo, waar de veldheren duizenden laten sterven om de wereld te onderwerpen. Hier onderwerpt de Heer zichzelf. Hier neemt hij de dood vrijwillig op zich. Als daad van ultieme gehoorzaamheid. Zijn gehoorzaamheid maakt de wereld juist vrij in plaats van onderworpen. Omdat in die gehoorzaamheid de liefde van God zichtbaar wordt. De liefde die maakt dat mensen echt kunnen leven. Vrij voor het aangezicht van God. Vrij voor de eeuwige liefde.
Jezus doorkruist de diepten van het menselijk bestaan. Hij daalt neder ter helle, zoals de geloofsbelijdenis zegt. Als wij bidden vanuit de nood. Dan is hij bij ons. Hij kent onze nood. Hij kent ons zuchten van binnenuit. In Jezus heeft God het helemaal zelf ondergaan: de angst en de dood. “De Geest pleit voor ons met woordloze zuchten,” schrijft Paulus in Romeinen 8: 39. Zien we dat zuchten al hier niet in Getsémané? Hier in Getsémané verbindt God zich met het menselijk lijden van alle tijden. Opdat door dat lijden de toekomst van het nieuwe Koninkrijk al daagt. In de opstanding van Jezus met Pasen treedt het koninkrijk aan het licht. Een nieuw bestaan wordt openbaar. Zelfs de dood is verslagen, de pijn is geleden.
Daarom zuchten wij in al onze gebeden. Jezus gaat ons voor in dat gebed, zoals hij ons ook voorgaat op de weg naar het koninkrijk.

ds. Marco Roepers

Meditatie februari

De levensboom

(Genesis 3:2224) 22 Toen dacht God, de HEER: Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven. 23 Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen. 24 En nadat hij hem had weggejaagd, plaatste hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken.

thefallandexpulsionfromgarden-ofeden1332472298332Zo eindigt het Bijbelgedeelte over het paradijs. De mens die nu goed en kwaad kent, zijn onschuld verloren heeft, wordt een sterveling. Hij komt onder de macht van de dood. Juist omdat hij de gelijke van God wilde zijn. Aan de dood wennen wij nooit. Steeds weer duikt het verlangen naar het eeuwig leven, een leven zoals dat in het paradijs, weer op. Denk maar aan de bron van de eeuwige jeugd, waarna in veel verhalen mensen op zoek zijn, of een ander onsterfelijkheidsmiddel. Of tegenwoordig is de geneeskunde de drager van deze hoop. Maar wat de geneeskunde ook mag bereiken, nooit kan ze onze sterfelijkheid opheffen. Altijd zal ons leven door de dood omgeven zijn. Dat is precies de essentie van die paar verzen uit Genesis 3. De mensheid is de toegang tot de levensboom ontzegd en een cherubs en  een heen en weer zwaaiend zwaard belemmeren de doorgang definitief. De levensboom proberen te bereiken dat kost je je leven.

En toch, sommigen hebben de levensboom weer gesignaleerd. In het Nieuwe Testament. Niet in de Hof van Eden, maar in het midden van het leven hier. Juist daar waar de sterfelijkheid weer pijnlijk zichtbaar werd, bij een openbare terechtstelling. Verschillende dichters hebben het houten kruis geïdentificeerd met de levensboom. Het is door dit kruis dat mensen weer toegang hebben tot het eeuwige leven.

Lied 547 “Met de boom des Levens” van Willem Barnard is een van de liederen waarin de Levensboom met het kruis geïdentificeerd wordt. Het aardse leven is getekend door de val van de mens. Maar God ziet naar de mens om. Jezus is het zaad van God in de aarde dat vrucht draagt. Hij staat op uit de dood, uit de aarde en draagt ons hemelwaarts naar een nieuw en volkomen leven. Zijn dood is een teken van Gods liefde. Zijn opstanding bevestigt dat en toont dat het niet tevergeefs was. Wij mensen zijn weer bestemd voor de eeuwigheid. Dat is wat God wil.

Het is Jezus die de levensboom uit het paradijs midden in het leven heeft geplaatst als oorsprong van het geloof, teken van hoop en bron van liefde. Hij heeft dat met de dood bekocht, maar de weg naar het echte leven in het licht van Gods aanwezigheid geopend.

ds. Marco Roepers

meditatie Januari 2014

Bidden

Bidt u wel eens?

Ik eerlijk gezegd nauwelijks.

Ja vroeger, als kind. Ik ga slapen, ik ben moe… u vult het waarschijnlijk zo aan. Want wie van ons is niet begonnen met dat bekende gebedje voor het slapen gaan. Een bekende tekst, gericht aan een duidelijk adres. Tenminste, dat gold voor mij. Dat gebed was gericht aan de Vader in de Hemel, en die vader was de overtreffende trap van mijn aardse vader, die mij onvoorwaardelijk liefhad en uiterst zorgzaam was. Na zo’n gebed kon ik rustig gaan slapen, wat kon mij gebeuren?

Maar ja, de tekst voldeed op een gegeven moment niet meer, en in een God geloven die de overtreffende trap was van mijn aardse vader, dat was ook verleden tijd.

Tot wie moet je dan nog bidden, en wat, en heeft het zin?

Dus bad ik nauwelijks nog, in de traditionele zin van het woord tenminste. Even stil zijn voor en na het eten en meedoen met het gebed in de kerkdienst, dat was het wel zo ongeveer.

Maar: wandelen is bidden met de voeten, las ik ergens. Als u mij een beetje kent, dan weet u dat ik dan toch nog aardig wat afbid. De opmerking geeft weer dat er niet één standaardmethode van bidden is. Misschien moest ik toch eens onderzoeken wat bidden nog te betekenen kon hebben. Zomaar iets overboord zetten wat me ooit heel dierbaar was, dat was me al te gemakkelijk. Dus ging ik op onderzoek uit.

“Heer, leer ons bidden.” vragen de leerlingen aan Jezus in Lucas 11. En in de Romeinenbrief biecht ook Paulus op: “Wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen.” Blijkbaar is het dus een vraag van alle tijden: hoe te bidden?

Bidden is praten met God, zo zal een kind het vermoedelijk omschrijven. Mooi lijkt me dat, praten met God. Maar in een goed gesprek wordt door beide partijen gesproken én geluisterd. Beide partijen hebben elkaar nodig. En je moet je moeite getroosten om je gesprekspartner te begrijpen. Wij vragen ons dus wel af wat we moeten zeggen, maar hoe zit het met ons luisteren? Wij willen wel dat God hoort en verhoort, maar  in het geval van een gesprek heeft Hij ook iets te zeggen!

Jezus geeft de leerlingen als antwoord in eerste instantie woorden om te bidden.  Een heel bekende tekst die we gemakkelijk uit ons hoofd kunnen opzeggen, misschien te gemakkelijk? “Vader” is het begin van het gebed. ”Onze Vader” bidden wij, zoals het in Mattheus geschreven staat. Onze Vader, niet mijn Vader, of uw Vader dus, of de vader van de  Christenen, nee, de Vader van ons allen. En vader, dat veronderstelt een innige band en vertrouwen, zoals dat bij alle menselijke vaders zou moeten zijn.

En dan: laat Uw naam geheiligd worden en laat Uw koninkrijk komen. Het gaat dus niet in eerste instantie om onze wil, of om wat ons goed uit zou komen, maar om iets groters, iets meer omvattends.

Eigenlijk geeft Jezus in het genoemde tekstgedeelte nog een antwoord. Vers 5 begint weer met: Hij zei tegen hen… en vervolgens lezen we als een tweede antwoord op : “Heer, leer ons bidden”  het verhaal hoe iemand langsgaat bij een vriend om broden te lenen, op een onmogelijk tijdstip nog wel. Na wat tegenstribbelen helpt de ene vriend de andere. Zo gaan vrienden met elkaar om, zo betrouwbaar zijn echte vrienden voor elkaar! En op zo´n vriendschap, zo´n bondgenootschap mag je ook rekenen bij God. Maar  bondgenoten zijn er voor elkaar. Als wij vragen om verhoring van onze gebeden, zou God dan misschien ook aan ons iets te vragen hebben? We vragen of Hij ons te hulp wil komen, maar helpen wij degenen voor wie Hij onze hulp inroept? Als je bidden beschouwt als “praten met God” dan  heeft  het ook met doen te maken. Met elkaar vragen om hulp en met elkaar hulp bieden. Je zou dit laatste kunnen zien als “horizontaal” geloven, geloven in je naaste en je naaste laten geloven in jou. Zo kun je soms het gebed van je medemens verhoren. En zo word je door een gebed niet alleen betrokken op God, maar ook op je medemens.

Op mijn zoektocht naar wat bidden zou kunnen betekenen heb ik aan verschillende mensen gevraagd hoe zij daar in stonden; Je kunt je verhaal tenminste kwijt, was de opmerking van een jongere. Je verhaal, of misschien beter “dat wat te groot is voor jou als mens”  kwijt kunnen bij Iemand die groter is dan ons voorstellingsvermogen, is een kant van bidden. Er is in de wereld zoveel ellende die te groot en te veel is. Maar ook in ons eigen leven zijn er gebeurtenissen die te moeilijk zijn om in je eentje aan te kunnen. Zo’n  verhaal, dat lam kan slaan omdat het onmogelijk lijkt om het te veranderen, kunnen we kwijt in ons gebed. Niet om het af te schuiven, wel om het te grote neer te leggen bij de Eeuwige en daarna ons deel op te pakken en ermee aan de slag te gaan.

“Misschien bid ik wel tot mezelf” was een andere reactie. Bidden tot jezelf, “inkeren”. Jouw dagelijkse leven als het ware van een afstandje bekijken. Doe ik wat ik goed vind, of doe ik dat wat de ander van mij verwacht, of dat wat ik dènk dat de ander van mij verwacht?

Wat kan het soms verruimend zijn om vanuit je hart te leven, in plaats van te voldoen aan algemeen geaccepteerd of gewenst gedrag. Vóór het Bijbelgedeelte in Lucas 11 staat de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Die Samaritaan handelde niet bepaald zoals je van  een Samaritaan zou verwachten, maar hoe goed is het om te lezen dat hij een andere manier van handelen koos. Zorgde hij zo niet voor het verhoren van het gebed van de mishandelde man?

Een derde en een vierde reactie die ik samen wil noemen is “Mediteren is een hogere vorm van bidden” en: “bidden is jezelf openstellen.”

Het gaat mij te ver om mediteren een hogere vorm van bidden te noemen, alsof er ook lagere vormen van bidden zijn. Maar raakvlakken tussen mediteren en bidden zijn er zeker!

Mediteren of bidden, de stilte opzoeken en je openstellen. Zodat het vele dat op ons afkomt, het lief en het leed, wat kan bezinken en een plek kan krijgen. Zodat we oog krijgen voor de verborgen diepte van ons leven hier en nu. Zodat er een ander licht kan vallen op wat we  meemaken en om ons heen zien gebeuren. Zodat we anders gaan aankijken tegen onszelf, ons eigen levensverhaal en tegen de mensen die we ontmoeten.

Bidden:
Je ogen sluiten, je handen vouwen en woorden uitspreken, al dan niet gezamenlijk. Een waardevol ritueel dat verbindt, met elkaar en met God.

Bidden:
Aandachtig zijn voor wat er gebeurt in ons leven, met onszelf en met de ander. Onze verantwoordelijkheid nemen voor datgene wat we zelf kunnen doen.

Bidden:
Je ogen sluiten, stil worden, even geen drukke buitenwereld. Ervaren dat er iets is, Iemand, die groter is dan ons voorstellingsvermogen. Iemand waarop we kunnen vertrouwen. Niet een instant probleemoplosser, maar Iemand die met je meegaat. Die je aanzet tot handelen in Zijn Geest en je in beweging houdt. Ook en juist als je je ogen weer open hebt gedaan!

Op die manieren wil ik graag blijven bidden.

Gerda Potze

Meditatie december 2013

W I N T E R W O N D E R L A N D

 Als kerst nadert waan ik mij soms in een sprookjeswereld: winterwonderland. De sneeuw dwarrelt naar beneden in etalages en tv reclames, de wereld is wit geworden. Getrokken door zijn rendieren rijdt de Kerstman in een verlichte slee over de daken van de huizen. Ergens in het witte landschap stapt hij uit een Coca Cola vrachtwagen, vrolijk roept hij ho ho ho. En soms, soms tussendoor in de muziek die over de straat dwarrelt, vang ik een flard op over een kindeke dat geboren is op deze aarde ergens in een stalletje. Het lijkt naadloos te passen in de sprookjeswereld van kerst: winterwonderland.

 Is het kerstverhaal een sprookje geworden?

Als ik het kerstverhaal van Lucas lees en ik zoek naar getuigen van wat er gebeurd is, kom ik al snel bij de herders uit. De engelen tel ik niet mee, zij zijn van een andere orde. Maar de herders, zij zijn getuige van de geboorte van het kindeke in de stal. Zij zijn getuige van de woorden van de engel dat dit kind de Messias is. Maar juist die herders, die lijken in de rest van het evangelie spoorloos verdwenen. Alsof zij niet meer dan sprookjesfiguren zijn geweest. Het gedicht van Anton van Duinkerken wees mij er op, het is bijna het mooiste kerstgedicht dat ik ken:

Omdat eenvoudigen verstaan
wat door geen ingewikkeld zoeken,
noch lezen in geleerde boeken
begrepen wordt of nagegaan,
zijn herders toen in uwe stal
geknield en hebben u aanbeden:
dit is tweeduizend jaar geleden
en nog weet elk het overal.
Geen mens heeft ooit hun naam gemeld,
de rest van hun onschuldig leven
is door geen wetenschap beschreven,
wordt slechts aan kinderen verteld.

 De herders zijn verdwenen: ‘de rest van hun onschuldig leven is door geen wetenschap beschreven.’ Zij lopen het verhaal van Lucas uit ‘terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden.’ Zijn zij daarmee sprookjesfiguren geworden, die in onze tijd naadloos overgezet kunnen worden naar een winterwonderland? Of moet ik luisteren naar wat de dichter in zijn laatste regels lijkt te zeggen: al mijn wetenschap vergeten en weer als een kind worden?

 Beide niet.

Een kind hoef ik niet meer te worden, hoe zou ik kunnen met al mijn volwassen geweet en getwijfel.

 En een sprookje?

Lucas schrijft geen sprookje, Lucas schrijft evangelie: het evangelie van Jezus Messias.  Een sprookje begint met ‘er was eens’. Maar Lucas, hij begint met ‘in die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af.’ Lucas zet de geboorte van Jezus, de Messias middenin de tijd. Middenin de tijd komt God je tegemoet, God zit niet in een sprookje verpakt. Maar zegt Lucas verder: als je God op het spoor wilt komen moet je wel middenin de tijd zijn maar niet in het midden van de macht, bij keizer Augustus. Je moet zoeken aan de rand, in Bethlehem, in een stal, in een voederbak. Daar moet je God zoeken.

 Lucas doet daarmee niet aan geschiedschrijving, hij schrijft evangelie. Dat is het goede nieuws over Jezus Messias. Een geschiedenisboek kun je dichtslaan en je kunt verder gaan met je leven zoals het was.

Dat geldt ook voor een sprookje: je kunt het aanhoren tot ‘en zij leefden nog lang en gelukkig’; daarna kun je je leven verder leven zoals het was. Maar een evangelieverhaal vraagt om iets anders: het evangelie is goed nieuws dat om antwoord vraagt. Het vraagt er om te worden doorgegeven, verteld en geleefd. Zo kom ik weer terug bij de herders: want dat is wat zij doen, het verhaal verder dragen. En precies op het punt waar de herders uit het evangelie lijken te verdwijnen, klinkt aan ons de oproep om het verhaal door te geven, voor te leven en verder te vertellen. Net als de herders. Zij zijn onze voorbeeldfiguren.

Want dankzij mensen zoals zij, heeft ook ons het evangelie bereikt.

ds Tjalling Huisman

 

November 2013

“Toen stierf Mozes”.

Verhalen uit het eerste testament zijn boeiend en leerzaam. Ze vertellen over God en mensen op een onverhulde manier. Concrete verhalen over geloof en ongeloof, over politiek en erotiek. Over menselijke overwinningen en menselijk falen. Menselijke emoties die ook vandaag heel herkenbaar zijn. Het gebeurt niet zo vaak dat alleen een verhaal uit het O.T centraal staat in de eredienst. Vaak (te vaak) wordt het gelezen als een opstapje naar een lezing uit het 1e test. Soms lijkt het wel of een verkondiging niet echt is als het niet over Jezus gaat. Of dat de verhalen moeten worden uitgelegd als een voorafschaduwing van de komst van Christus. Volgens mij doet dit onrecht aan de waarde van het 1e test. Ergens las ik eens dat God zich in Jezus Christus naar de aarde keert. Maar dat heeft God vanaf den beginne toch al gedaan. Het joodse volk kende de omgang met God al eeuwen voor Jezus op aarde kwam. Gelukkig komt er de laatste jaren ook binnen de kerken meer waardering voor dit geloofsboek van Israël.

Neem nu het verhaal van Mozes. Wat heeft die wat met zijn God meegemaakt en wat heeft God wat met zijn dienaar Mozes meegemaakt. Een slopend bestaan was het geweest om dat slavenvolk door de woestijn te leiden op weg naar het beloofde land. Een tocht met alleen een visioen voor ogen. Met een volk dat het steeds weer liet afweten, zich beklaagde over hun lot en wat het ergste was zich liever tot de afgoden wendde dan te vertrouwen in de Eeuwige.

Misschien is hij nooit eenzamer geweest dan toen hij van de berg kwam met de wet Gods en zag dat zijn volk een goedkoop afgodsbeeld had gemaakt.

De volgende dag klimt hij weer de berg op en vecht voor zijn volk als God zijn hand van Israël wil aftrekken. “Het is mijn toorn die mij zo doet spreken”, zegt God tegen Mozes. Maar Mozes geeft geen krimp. ”Ja dat zal wel”, zegt Mozes, “maar wat schiet u daar mee op. Zelfs wanneer u aarde en hemel zou vernietigen, dan nog zou uw volk overleven, want dat hebt u beloofd.” Mozes de middelaar. Hij presteert het zelfs om God een ultimatum te stellen:

Van tweeën één, of u vergeeft de Israëlieten het kwaad dat zij hebben bedreven, of u schrapt mijn naam uit het boek dat Gij hebt geschreven. God mag kiezen.

Wat een verrassend beeld van God komt hier naar voren. God en Mozes als vrienden die elkaar de waarheid zeggen. Mozes heeft God nodig maar God heeft ook Mozes nodig om hun gezamenlijke droom werkelijkheid te doen worden. God niet als een vaag en ongrijpbaar  iets boven alle werkelijkheid maar Iemand die meetrekt, die zegt: “Ga maar, ik ga met je mee.”

Mozes sterft in de woestijn. God laat zijn grote vriend het beloofde land zien, maar hij zal het zelf niet betreden. We weten niet wat het motief van de Bijbelschrijver is geweest om het verhaal van Mozes hier te laten eindigen. Misschien omdat hij vond dat Mozes z’n leven was voltooid nadat hij Israël de leefregels van God had geschonken.

Leefregels om tot een door God gewilde humane samenleving te komen waarin ontferming, liefde, vrede en recht nooit zullen ontbreken. Richtlijnen niet zwaar om te volgen maar met een vrolijke muzikale ondertoon. “Uw inzettingen zijn mij tot snarenspel”, zegt de psalmist. Veel later zou Jezus komen, de tweede Mozes. Ook Hij was trouw aan zijn volk en trouw aan de Thora, de wet van God.  Ook hij ging als Mozes vertrouwelijk om met God die hij Vader noemde. Ook hij was bezield door het ideaal van een beloofd land dat hij het koninkrijk van God noemde. Ook Hij heeft het beloofde land niet mogen zien. Aan ons de taak om bij hen aan te sluiten om met God als bondgenoot dit visioen levend te houden en tekenen daarvan op te richten.

God begroef Mozes, zijn vriend, eigenhandig in het land Moab. De band is niet verbroken. “Vriendschap met de Eeuwige, blijft eeuwige vriendschap.” (Kuitert) Niemand kan zijn graf terug vinden maar wie Mozes wil eren moet luisteren naar het levende Woord dat hij vanaf de “Hoge” mee naar beneden nam en dat tot vandaag van universele betekenis is.

Mozes is gestorven en in Gods liefde opgenomen.

Op de laatste zondag van het kerkelijk jaar herdenken we als gemeente de overleden gemeenteleden en alle geliefden die ons ontvielen, dit jaar of al langer geleden.

Jezus haalt een uitspraak van Mozes aan als hem door de Schriftgeleerden een strikvraag wordt gesteld over de opstanding. Jezus antwoordt dan:  “Hij is niet een God van doden, maar van levenden, want voor God blijven al zijn schepselen leven ook al zijn ze gestorven.” Waar en hoe dat weten we niet, maar we mogen vertrouwen dat ze zijn geborgen in Gods hand en leven in zijn Licht.

Hanna Lam zei het zo:

De mensen van voorbij

zij worden niet vergeten.

De mensen van voorbij

zijn in een ander weten.

Bij God mogen ze wonen

daar waar geen pijn kan komen.

De mensen van voorbij

zijn in het licht, zijn vrij.

 

Bertus Huizing