Categorie archief: Meditatie

Meditatie April

PASEN

Met Pasen vieren wij de opstanding van Jezus. Vaak zingen we dan liederen met Halleluja. Halleluja betekent: prijs de Eeuwige. Bij het Paasfeest hoort blijdschap, het is het feest van de hoop. Het feest van het nieuwe begin.

Tegelijk vind ik het een moeilijk feest. Dat Jezus opstaat uit de dood, hoe kan ik dat begrijpen? Want ik zie het niet om mij heen. Wat ik om mij heen zie, is dat de dood het laatste woord heeft. Niets is er zo levenloos als het lichaam van een geliefde die dood is gegaan.

Ik weet dat er mensen zijn die een bijzondere ervaring hebben meegemaakt, bijvoorbeeld een Bijna Dood Ervaring. Mooi vind ik het om erover te lezen en soms iemand zijn ervaring te horen vertellen. Maar hoe mooi en indrukwekkend ook, het is geen definitief antwoord op de dood.  Want wat je ziet is dagelijks nog duizend doden. J.W. Schulte Nordholt verwoordt het mooi in zijn gedicht Opstanding:

Zeggen ze dat Hij is opgestaan
waarom is de wereld dan dezelfde,
lijdt Hij zelf dan nog in al de zijnen,
sterft Hij dagelijks nog duizend doden,
altijd door zoals het immers is?

Weegt het lijden deze korte tijd
ook niet op tegen de heerlijkheid
die eens komen zal, is duizend jaar
als de dag van gisteren, als een droom,

altijd duurt die boze droom nog voort,
roept het bloed van Abel van de aarde,
wordt de stem in Rama weer gehoord,
altijd weer hetzelfde, Rachel weent
om haar kinderen die niet meer zijn.

En daar blijft mijn ongeloof bij staan,
dat ik net als Thomas twijfel,
enkel in zijn wonden Hem herken.

Altijd duurt die boze droom nog voort, ook in de dood van Jezus. En daar blijft mijn ongeloof bij staan. Zo komt de dichter uit bij Thomas, het ongeloof van Thomas. De leerling van Jezus die zei: Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vinger kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het (Jezus’ opstanding) geloven (Johannes 20 : 25).

Thomas, ik vind dat hij ten onrechte de geschiedenis door gaat als ‘de ongelovige Thomas’. Want hij is een grote troost voor velen. In mijn ogen is hij een groot gelovige, omdat hij de wonden van Jezus en de opstanding van Jezus bij elkaar wil houden.

De wonden wijzen hem de weg om Jezus te vinden, om Jezus te herkennen. Het is goed om het Paasfeest te vieren met blijdschap en hoop. Maar het zijn de wonden van Jezus die de weg wijzen naar wie Jezus is. Zijn opstanding laat zien dat de weg die hij is gegaan geen doodlopende weg is, maar een weg ten leven.

In alle wonden van de wereld, in al het gebrokene, is hij daar weer: Jezus. Moge de Eeuwige ons zo sterken in het geloof dat het lijden niet het laatste is, dat de dood niet het laatste is.

Het is Pasen: Halleluja: prijs de Eeuwige!

ds Tjalling Huisman

Meditatie maart

Een strijd in stilte
De geschiedenis wordt gevormd door allerlei veldslagen die de loop ervan een wending hebben gegeven. Het meest duidelijke voorbeeld hier is de slag bij Waterloo waar Napoleon in 1815 met moeite werd verslagen. Er werd definitief afgerekend met de Franse overheersing van Europa. Het was de basis voor het voorbestaan van het Koninkrijk der Nederlanden en de hegemonie van het Britse rijk in de wereld die meer dan 100 jaar zou duren.
In het Nieuwe Testament zien we ook een slag die de loop van de geschiedenis zou overheersen. Het vond plaat in de hof van Getsémané, een olijfgaard aan de rand van Jeruzalem, vlak voordat Jezus gevangen werd genomen Je kan niet zeggen dat dat zonder slag of stoot gebeurde. Er werd juist hevig gevochten en Jezus stond helemaal alleen. Zijn leerlingen, degenen die het dichtst bij hem stonden waren in slaap gevallen.
Maar het was een gevecht in stilte. Een strijd die Jezus niet met wapens voerde maar in gebed. Jezus streed tussen angst en overgave. In die angst is Jezus zo herkenbaar. Wie zou er niet bang zijn als zo’n vreselijk lot je stond te wachten? Iedereen zou dat zijn. In het gebed van Jezus wordt de angst voor wat er gebeuren gaat heel duidelijk onder woorden gebracht:
“Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan!”
Maar aan de andere kant is er ook de overgave. Jezus onderwerpt zich aan de wil van zijn Vader.
“Maar laat het niet gebeuren zoals ik het wil, maar zoals u het wilt.”
Zo vindt er een gevecht plaats in het gebed. Een gebed waarin Jezus tot aanvaarding komt van zijn missie. Zijn missie die het Koninkrijk van God op aarde sticht. Deze veldslag is een belangrijke mijlpaal in de komst van dat koninkrijk. Maar hoe anders dan de slag bij Waterloo, waar de veldheren duizenden laten sterven om de wereld te onderwerpen. Hier onderwerpt de Heer zichzelf. Hier neemt hij de dood vrijwillig op zich. Als daad van ultieme gehoorzaamheid. Zijn gehoorzaamheid maakt de wereld juist vrij in plaats van onderworpen. Omdat in die gehoorzaamheid de liefde van God zichtbaar wordt. De liefde die maakt dat mensen echt kunnen leven. Vrij voor het aangezicht van God. Vrij voor de eeuwige liefde.
Jezus doorkruist de diepten van het menselijk bestaan. Hij daalt neder ter helle, zoals de geloofsbelijdenis zegt. Als wij bidden vanuit de nood. Dan is hij bij ons. Hij kent onze nood. Hij kent ons zuchten van binnenuit. In Jezus heeft God het helemaal zelf ondergaan: de angst en de dood. “De Geest pleit voor ons met woordloze zuchten,” schrijft Paulus in Romeinen 8: 39. Zien we dat zuchten al hier niet in Getsémané? Hier in Getsémané verbindt God zich met het menselijk lijden van alle tijden. Opdat door dat lijden de toekomst van het nieuwe Koninkrijk al daagt. In de opstanding van Jezus met Pasen treedt het koninkrijk aan het licht. Een nieuw bestaan wordt openbaar. Zelfs de dood is verslagen, de pijn is geleden.
Daarom zuchten wij in al onze gebeden. Jezus gaat ons voor in dat gebed, zoals hij ons ook voorgaat op de weg naar het koninkrijk.

ds. Marco Roepers

Meditatie februari

De levensboom

(Genesis 3:2224) 22 Toen dacht God, de HEER: Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven. 23 Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen. 24 En nadat hij hem had weggejaagd, plaatste hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken.

thefallandexpulsionfromgarden-ofeden1332472298332Zo eindigt het Bijbelgedeelte over het paradijs. De mens die nu goed en kwaad kent, zijn onschuld verloren heeft, wordt een sterveling. Hij komt onder de macht van de dood. Juist omdat hij de gelijke van God wilde zijn. Aan de dood wennen wij nooit. Steeds weer duikt het verlangen naar het eeuwig leven, een leven zoals dat in het paradijs, weer op. Denk maar aan de bron van de eeuwige jeugd, waarna in veel verhalen mensen op zoek zijn, of een ander onsterfelijkheidsmiddel. Of tegenwoordig is de geneeskunde de drager van deze hoop. Maar wat de geneeskunde ook mag bereiken, nooit kan ze onze sterfelijkheid opheffen. Altijd zal ons leven door de dood omgeven zijn. Dat is precies de essentie van die paar verzen uit Genesis 3. De mensheid is de toegang tot de levensboom ontzegd en een cherubs en  een heen en weer zwaaiend zwaard belemmeren de doorgang definitief. De levensboom proberen te bereiken dat kost je je leven.

En toch, sommigen hebben de levensboom weer gesignaleerd. In het Nieuwe Testament. Niet in de Hof van Eden, maar in het midden van het leven hier. Juist daar waar de sterfelijkheid weer pijnlijk zichtbaar werd, bij een openbare terechtstelling. Verschillende dichters hebben het houten kruis geïdentificeerd met de levensboom. Het is door dit kruis dat mensen weer toegang hebben tot het eeuwige leven.

Lied 547 “Met de boom des Levens” van Willem Barnard is een van de liederen waarin de Levensboom met het kruis geïdentificeerd wordt. Het aardse leven is getekend door de val van de mens. Maar God ziet naar de mens om. Jezus is het zaad van God in de aarde dat vrucht draagt. Hij staat op uit de dood, uit de aarde en draagt ons hemelwaarts naar een nieuw en volkomen leven. Zijn dood is een teken van Gods liefde. Zijn opstanding bevestigt dat en toont dat het niet tevergeefs was. Wij mensen zijn weer bestemd voor de eeuwigheid. Dat is wat God wil.

Het is Jezus die de levensboom uit het paradijs midden in het leven heeft geplaatst als oorsprong van het geloof, teken van hoop en bron van liefde. Hij heeft dat met de dood bekocht, maar de weg naar het echte leven in het licht van Gods aanwezigheid geopend.

ds. Marco Roepers

meditatie Januari 2014

Bidden

Bidt u wel eens?

Ik eerlijk gezegd nauwelijks.

Ja vroeger, als kind. Ik ga slapen, ik ben moe… u vult het waarschijnlijk zo aan. Want wie van ons is niet begonnen met dat bekende gebedje voor het slapen gaan. Een bekende tekst, gericht aan een duidelijk adres. Tenminste, dat gold voor mij. Dat gebed was gericht aan de Vader in de Hemel, en die vader was de overtreffende trap van mijn aardse vader, die mij onvoorwaardelijk liefhad en uiterst zorgzaam was. Na zo’n gebed kon ik rustig gaan slapen, wat kon mij gebeuren?

Maar ja, de tekst voldeed op een gegeven moment niet meer, en in een God geloven die de overtreffende trap was van mijn aardse vader, dat was ook verleden tijd.

Tot wie moet je dan nog bidden, en wat, en heeft het zin?

Dus bad ik nauwelijks nog, in de traditionele zin van het woord tenminste. Even stil zijn voor en na het eten en meedoen met het gebed in de kerkdienst, dat was het wel zo ongeveer.

Maar: wandelen is bidden met de voeten, las ik ergens. Als u mij een beetje kent, dan weet u dat ik dan toch nog aardig wat afbid. De opmerking geeft weer dat er niet één standaardmethode van bidden is. Misschien moest ik toch eens onderzoeken wat bidden nog te betekenen kon hebben. Zomaar iets overboord zetten wat me ooit heel dierbaar was, dat was me al te gemakkelijk. Dus ging ik op onderzoek uit.

“Heer, leer ons bidden.” vragen de leerlingen aan Jezus in Lucas 11. En in de Romeinenbrief biecht ook Paulus op: “Wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen.” Blijkbaar is het dus een vraag van alle tijden: hoe te bidden?

Bidden is praten met God, zo zal een kind het vermoedelijk omschrijven. Mooi lijkt me dat, praten met God. Maar in een goed gesprek wordt door beide partijen gesproken én geluisterd. Beide partijen hebben elkaar nodig. En je moet je moeite getroosten om je gesprekspartner te begrijpen. Wij vragen ons dus wel af wat we moeten zeggen, maar hoe zit het met ons luisteren? Wij willen wel dat God hoort en verhoort, maar  in het geval van een gesprek heeft Hij ook iets te zeggen!

Jezus geeft de leerlingen als antwoord in eerste instantie woorden om te bidden.  Een heel bekende tekst die we gemakkelijk uit ons hoofd kunnen opzeggen, misschien te gemakkelijk? “Vader” is het begin van het gebed. ”Onze Vader” bidden wij, zoals het in Mattheus geschreven staat. Onze Vader, niet mijn Vader, of uw Vader dus, of de vader van de  Christenen, nee, de Vader van ons allen. En vader, dat veronderstelt een innige band en vertrouwen, zoals dat bij alle menselijke vaders zou moeten zijn.

En dan: laat Uw naam geheiligd worden en laat Uw koninkrijk komen. Het gaat dus niet in eerste instantie om onze wil, of om wat ons goed uit zou komen, maar om iets groters, iets meer omvattends.

Eigenlijk geeft Jezus in het genoemde tekstgedeelte nog een antwoord. Vers 5 begint weer met: Hij zei tegen hen… en vervolgens lezen we als een tweede antwoord op : “Heer, leer ons bidden”  het verhaal hoe iemand langsgaat bij een vriend om broden te lenen, op een onmogelijk tijdstip nog wel. Na wat tegenstribbelen helpt de ene vriend de andere. Zo gaan vrienden met elkaar om, zo betrouwbaar zijn echte vrienden voor elkaar! En op zo´n vriendschap, zo´n bondgenootschap mag je ook rekenen bij God. Maar  bondgenoten zijn er voor elkaar. Als wij vragen om verhoring van onze gebeden, zou God dan misschien ook aan ons iets te vragen hebben? We vragen of Hij ons te hulp wil komen, maar helpen wij degenen voor wie Hij onze hulp inroept? Als je bidden beschouwt als “praten met God” dan  heeft  het ook met doen te maken. Met elkaar vragen om hulp en met elkaar hulp bieden. Je zou dit laatste kunnen zien als “horizontaal” geloven, geloven in je naaste en je naaste laten geloven in jou. Zo kun je soms het gebed van je medemens verhoren. En zo word je door een gebed niet alleen betrokken op God, maar ook op je medemens.

Op mijn zoektocht naar wat bidden zou kunnen betekenen heb ik aan verschillende mensen gevraagd hoe zij daar in stonden; Je kunt je verhaal tenminste kwijt, was de opmerking van een jongere. Je verhaal, of misschien beter “dat wat te groot is voor jou als mens”  kwijt kunnen bij Iemand die groter is dan ons voorstellingsvermogen, is een kant van bidden. Er is in de wereld zoveel ellende die te groot en te veel is. Maar ook in ons eigen leven zijn er gebeurtenissen die te moeilijk zijn om in je eentje aan te kunnen. Zo’n  verhaal, dat lam kan slaan omdat het onmogelijk lijkt om het te veranderen, kunnen we kwijt in ons gebed. Niet om het af te schuiven, wel om het te grote neer te leggen bij de Eeuwige en daarna ons deel op te pakken en ermee aan de slag te gaan.

“Misschien bid ik wel tot mezelf” was een andere reactie. Bidden tot jezelf, “inkeren”. Jouw dagelijkse leven als het ware van een afstandje bekijken. Doe ik wat ik goed vind, of doe ik dat wat de ander van mij verwacht, of dat wat ik dènk dat de ander van mij verwacht?

Wat kan het soms verruimend zijn om vanuit je hart te leven, in plaats van te voldoen aan algemeen geaccepteerd of gewenst gedrag. Vóór het Bijbelgedeelte in Lucas 11 staat de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Die Samaritaan handelde niet bepaald zoals je van  een Samaritaan zou verwachten, maar hoe goed is het om te lezen dat hij een andere manier van handelen koos. Zorgde hij zo niet voor het verhoren van het gebed van de mishandelde man?

Een derde en een vierde reactie die ik samen wil noemen is “Mediteren is een hogere vorm van bidden” en: “bidden is jezelf openstellen.”

Het gaat mij te ver om mediteren een hogere vorm van bidden te noemen, alsof er ook lagere vormen van bidden zijn. Maar raakvlakken tussen mediteren en bidden zijn er zeker!

Mediteren of bidden, de stilte opzoeken en je openstellen. Zodat het vele dat op ons afkomt, het lief en het leed, wat kan bezinken en een plek kan krijgen. Zodat we oog krijgen voor de verborgen diepte van ons leven hier en nu. Zodat er een ander licht kan vallen op wat we  meemaken en om ons heen zien gebeuren. Zodat we anders gaan aankijken tegen onszelf, ons eigen levensverhaal en tegen de mensen die we ontmoeten.

Bidden:
Je ogen sluiten, je handen vouwen en woorden uitspreken, al dan niet gezamenlijk. Een waardevol ritueel dat verbindt, met elkaar en met God.

Bidden:
Aandachtig zijn voor wat er gebeurt in ons leven, met onszelf en met de ander. Onze verantwoordelijkheid nemen voor datgene wat we zelf kunnen doen.

Bidden:
Je ogen sluiten, stil worden, even geen drukke buitenwereld. Ervaren dat er iets is, Iemand, die groter is dan ons voorstellingsvermogen. Iemand waarop we kunnen vertrouwen. Niet een instant probleemoplosser, maar Iemand die met je meegaat. Die je aanzet tot handelen in Zijn Geest en je in beweging houdt. Ook en juist als je je ogen weer open hebt gedaan!

Op die manieren wil ik graag blijven bidden.

Gerda Potze

Meditatie december 2013

W I N T E R W O N D E R L A N D

 Als kerst nadert waan ik mij soms in een sprookjeswereld: winterwonderland. De sneeuw dwarrelt naar beneden in etalages en tv reclames, de wereld is wit geworden. Getrokken door zijn rendieren rijdt de Kerstman in een verlichte slee over de daken van de huizen. Ergens in het witte landschap stapt hij uit een Coca Cola vrachtwagen, vrolijk roept hij ho ho ho. En soms, soms tussendoor in de muziek die over de straat dwarrelt, vang ik een flard op over een kindeke dat geboren is op deze aarde ergens in een stalletje. Het lijkt naadloos te passen in de sprookjeswereld van kerst: winterwonderland.

 Is het kerstverhaal een sprookje geworden?

Als ik het kerstverhaal van Lucas lees en ik zoek naar getuigen van wat er gebeurd is, kom ik al snel bij de herders uit. De engelen tel ik niet mee, zij zijn van een andere orde. Maar de herders, zij zijn getuige van de geboorte van het kindeke in de stal. Zij zijn getuige van de woorden van de engel dat dit kind de Messias is. Maar juist die herders, die lijken in de rest van het evangelie spoorloos verdwenen. Alsof zij niet meer dan sprookjesfiguren zijn geweest. Het gedicht van Anton van Duinkerken wees mij er op, het is bijna het mooiste kerstgedicht dat ik ken:

Omdat eenvoudigen verstaan
wat door geen ingewikkeld zoeken,
noch lezen in geleerde boeken
begrepen wordt of nagegaan,
zijn herders toen in uwe stal
geknield en hebben u aanbeden:
dit is tweeduizend jaar geleden
en nog weet elk het overal.
Geen mens heeft ooit hun naam gemeld,
de rest van hun onschuldig leven
is door geen wetenschap beschreven,
wordt slechts aan kinderen verteld.

 De herders zijn verdwenen: ‘de rest van hun onschuldig leven is door geen wetenschap beschreven.’ Zij lopen het verhaal van Lucas uit ‘terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden.’ Zijn zij daarmee sprookjesfiguren geworden, die in onze tijd naadloos overgezet kunnen worden naar een winterwonderland? Of moet ik luisteren naar wat de dichter in zijn laatste regels lijkt te zeggen: al mijn wetenschap vergeten en weer als een kind worden?

 Beide niet.

Een kind hoef ik niet meer te worden, hoe zou ik kunnen met al mijn volwassen geweet en getwijfel.

 En een sprookje?

Lucas schrijft geen sprookje, Lucas schrijft evangelie: het evangelie van Jezus Messias.  Een sprookje begint met ‘er was eens’. Maar Lucas, hij begint met ‘in die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af.’ Lucas zet de geboorte van Jezus, de Messias middenin de tijd. Middenin de tijd komt God je tegemoet, God zit niet in een sprookje verpakt. Maar zegt Lucas verder: als je God op het spoor wilt komen moet je wel middenin de tijd zijn maar niet in het midden van de macht, bij keizer Augustus. Je moet zoeken aan de rand, in Bethlehem, in een stal, in een voederbak. Daar moet je God zoeken.

 Lucas doet daarmee niet aan geschiedschrijving, hij schrijft evangelie. Dat is het goede nieuws over Jezus Messias. Een geschiedenisboek kun je dichtslaan en je kunt verder gaan met je leven zoals het was.

Dat geldt ook voor een sprookje: je kunt het aanhoren tot ‘en zij leefden nog lang en gelukkig’; daarna kun je je leven verder leven zoals het was. Maar een evangelieverhaal vraagt om iets anders: het evangelie is goed nieuws dat om antwoord vraagt. Het vraagt er om te worden doorgegeven, verteld en geleefd. Zo kom ik weer terug bij de herders: want dat is wat zij doen, het verhaal verder dragen. En precies op het punt waar de herders uit het evangelie lijken te verdwijnen, klinkt aan ons de oproep om het verhaal door te geven, voor te leven en verder te vertellen. Net als de herders. Zij zijn onze voorbeeldfiguren.

Want dankzij mensen zoals zij, heeft ook ons het evangelie bereikt.

ds Tjalling Huisman

 

November 2013

“Toen stierf Mozes”.

Verhalen uit het eerste testament zijn boeiend en leerzaam. Ze vertellen over God en mensen op een onverhulde manier. Concrete verhalen over geloof en ongeloof, over politiek en erotiek. Over menselijke overwinningen en menselijk falen. Menselijke emoties die ook vandaag heel herkenbaar zijn. Het gebeurt niet zo vaak dat alleen een verhaal uit het O.T centraal staat in de eredienst. Vaak (te vaak) wordt het gelezen als een opstapje naar een lezing uit het 1e test. Soms lijkt het wel of een verkondiging niet echt is als het niet over Jezus gaat. Of dat de verhalen moeten worden uitgelegd als een voorafschaduwing van de komst van Christus. Volgens mij doet dit onrecht aan de waarde van het 1e test. Ergens las ik eens dat God zich in Jezus Christus naar de aarde keert. Maar dat heeft God vanaf den beginne toch al gedaan. Het joodse volk kende de omgang met God al eeuwen voor Jezus op aarde kwam. Gelukkig komt er de laatste jaren ook binnen de kerken meer waardering voor dit geloofsboek van Israël.

Neem nu het verhaal van Mozes. Wat heeft die wat met zijn God meegemaakt en wat heeft God wat met zijn dienaar Mozes meegemaakt. Een slopend bestaan was het geweest om dat slavenvolk door de woestijn te leiden op weg naar het beloofde land. Een tocht met alleen een visioen voor ogen. Met een volk dat het steeds weer liet afweten, zich beklaagde over hun lot en wat het ergste was zich liever tot de afgoden wendde dan te vertrouwen in de Eeuwige.

Misschien is hij nooit eenzamer geweest dan toen hij van de berg kwam met de wet Gods en zag dat zijn volk een goedkoop afgodsbeeld had gemaakt.

De volgende dag klimt hij weer de berg op en vecht voor zijn volk als God zijn hand van Israël wil aftrekken. “Het is mijn toorn die mij zo doet spreken”, zegt God tegen Mozes. Maar Mozes geeft geen krimp. ”Ja dat zal wel”, zegt Mozes, “maar wat schiet u daar mee op. Zelfs wanneer u aarde en hemel zou vernietigen, dan nog zou uw volk overleven, want dat hebt u beloofd.” Mozes de middelaar. Hij presteert het zelfs om God een ultimatum te stellen:

Van tweeën één, of u vergeeft de Israëlieten het kwaad dat zij hebben bedreven, of u schrapt mijn naam uit het boek dat Gij hebt geschreven. God mag kiezen.

Wat een verrassend beeld van God komt hier naar voren. God en Mozes als vrienden die elkaar de waarheid zeggen. Mozes heeft God nodig maar God heeft ook Mozes nodig om hun gezamenlijke droom werkelijkheid te doen worden. God niet als een vaag en ongrijpbaar  iets boven alle werkelijkheid maar Iemand die meetrekt, die zegt: “Ga maar, ik ga met je mee.”

Mozes sterft in de woestijn. God laat zijn grote vriend het beloofde land zien, maar hij zal het zelf niet betreden. We weten niet wat het motief van de Bijbelschrijver is geweest om het verhaal van Mozes hier te laten eindigen. Misschien omdat hij vond dat Mozes z’n leven was voltooid nadat hij Israël de leefregels van God had geschonken.

Leefregels om tot een door God gewilde humane samenleving te komen waarin ontferming, liefde, vrede en recht nooit zullen ontbreken. Richtlijnen niet zwaar om te volgen maar met een vrolijke muzikale ondertoon. “Uw inzettingen zijn mij tot snarenspel”, zegt de psalmist. Veel later zou Jezus komen, de tweede Mozes. Ook Hij was trouw aan zijn volk en trouw aan de Thora, de wet van God.  Ook hij ging als Mozes vertrouwelijk om met God die hij Vader noemde. Ook hij was bezield door het ideaal van een beloofd land dat hij het koninkrijk van God noemde. Ook Hij heeft het beloofde land niet mogen zien. Aan ons de taak om bij hen aan te sluiten om met God als bondgenoot dit visioen levend te houden en tekenen daarvan op te richten.

God begroef Mozes, zijn vriend, eigenhandig in het land Moab. De band is niet verbroken. “Vriendschap met de Eeuwige, blijft eeuwige vriendschap.” (Kuitert) Niemand kan zijn graf terug vinden maar wie Mozes wil eren moet luisteren naar het levende Woord dat hij vanaf de “Hoge” mee naar beneden nam en dat tot vandaag van universele betekenis is.

Mozes is gestorven en in Gods liefde opgenomen.

Op de laatste zondag van het kerkelijk jaar herdenken we als gemeente de overleden gemeenteleden en alle geliefden die ons ontvielen, dit jaar of al langer geleden.

Jezus haalt een uitspraak van Mozes aan als hem door de Schriftgeleerden een strikvraag wordt gesteld over de opstanding. Jezus antwoordt dan:  “Hij is niet een God van doden, maar van levenden, want voor God blijven al zijn schepselen leven ook al zijn ze gestorven.” Waar en hoe dat weten we niet, maar we mogen vertrouwen dat ze zijn geborgen in Gods hand en leven in zijn Licht.

Hanna Lam zei het zo:

De mensen van voorbij

zij worden niet vergeten.

De mensen van voorbij

zijn in een ander weten.

Bij God mogen ze wonen

daar waar geen pijn kan komen.

De mensen van voorbij

zijn in het licht, zijn vrij.

 

Bertus Huizing

 

Oktober 2013

Roepen uit de diepte

De verslagenheid, de verwarring, alles omvergegooid.

Je hele leven ondersteboven gezet, crisis, donker waarin je niets kunt zien.

Blind geslagen ben je.

Geen houvast aan alle tradities waarin je bent opgevoed.

Alle overtuigingen waarin je je veilig waande, geen waarde meer.

Door duister en pijn en wanhoop ga je, kruipend als een kind.

 

Keer U tot mij en wees mij genadig,

ik ben alleen en ellendig.

Mijn hart is vol van angst,

bevrijd mij uit mijn benauwenis –

(Psalm 25)

 

Angst en wanhoop en duisternis,

als mensen om je heen je laten vallen.

Ontgoocheling, als de ander die het goed bedoelt, tegenvalt.

Als woorden van troost alleen nog maar klinken als

tegeltjeswaarheden, die stukvallen op de steenharde grond van het bestaan.

Als je niets meer vindt van jezelf dan dat je het niet waard bent om te leven.

Is iedereen niet beter af zonder jou?

Je voelt alleen nog maar het sterven van alles in je en om je heen.

Je voelt alleen nog maar pijn die niet te verdragen is.

 

En God, de god van de geloofswaarheden.

De god die een plaats had in wat ooit je leven was.

Die god is in stukken gevallen.

Als een kostbaar beeld dat door een aardbeving van de schoorsteenmantel gevallen is.

In duizend stukken gevallen, niet meer te lijmen, niet meer te rijmen, waardeloos geworden.

Een donkere leegte.

 

Dan onverwacht, kijk je in de ogen God achter god, God achter beelden.

De liefde van het leven zelf.

Diepe grondtoon onder alle wanhoop, angst, duisternis is : Ik heb jou lief, je bent mijn mens.

Misschien hoor je er niets van,

misschien voel je het niet zo,

misschien zie je het niet, maar:

Kostbaar in mijn ogen ben je.

Jou koester ik.

Jou houd ik vast.

Hoe diep je ook valt, jou zal ik nooit laten vallen.

 

Ds Tjalling Huisman

augustus 2013

Starten op open monumentendag

Dit jaar valt de Startzondag op open monumentendag. En daar doen wij niets mee. Het thema is het nieuwe liedboek en dat heeft daar niet mee van doen. Bij monumenten gaat het vooral om gebouwen. We kunnen dan denken aan die prachtige kerkgebouwen die hier in de provincie nog veel staan. Daar hadden wij wat mee moeten doen. Want dat zijn toch de monumenten die wij hebben, dat is toch wat wij hebben gekregen uit de handen van  generaties die ons zijn voorgegaan?

Diverse kerkgebouwen staan ook op werelderfgoedlijst van Unesco. Dat bevestigt hoe belangrijk kerkgebouwen als monument kunnen zijn. De Groningse kerken staan er dan nog wel niet op, maar dat doet aan hun belang niets af. Ze zijn en blijven een indrukwekkend cultureel fenomeen.

Nu is er tegenwoordig nog een werelderfgoedlijst. Hij is jonger dan de eerste. Dat is de Lijst van meesterwerken van het orale en immateriële erfgoed van de mensheid. Daarin staan allemaal tradities. Bijvoorbeeld de isopolyfone volksmuziek uit Albanië, die bovenaan de alfabetische lijst staat.  Toevallig, dat is muziek!  Daar draait het ook om op de Startzondag. Het nieuwe liedboek. Ligt daar geen verbinding?

Het liedboek is dan wel nieuw, maar er staat ook veel ouds in. Wat dachten we van de psalmen. Het hele Geneefse psalter staat erin. Dat is samengesteld tussen 15411562.  Die psalmen vormden sinds ruwweg 1600 (1594?)  een belangrijk deel van de erediensten in die oude Groningse kerken.  En op de orgels in de kerken is eeuwenlang op vele manieren op de psalmen gevarieerd. Groningen liep in de 17e eeuw voorop met het gebruik van het orgel als instrument om de gemeentezang te begeleiden. Daarvoor werd er al op de psalmen geïmproviseerd in grote variatie en stijlen. En de psalmen zijn niet alleen beperkt gebleven tot de kerk maar ook thuis en op allerlei plekken zijn ze gezongen en hebben ze tot de harten  gesproken. Persoonlijk vind ik dat onze protestantse psalmencultuur wel op die wereldlijst van het immateriële cultuur mag staan. Het is dan wel niet specifiek Nederlands, maar het heeft in Nederland wel heel veel betekend.

Het eeuwenoude psalmenerfgoed rust op nog veel ouder erfgoed. Namelijk het erfgoed van het geloof in Jezus, gevoed door het woord van profeten en apostelen in de Bijbel en dat al duizenden jaren meegaat. Dat is het wezenlijke erfgoed waar het om gaat in de kerk.

Op dat fundament rusten ook de nieuwe liederen in het liedboek. Het is goed, noodzakelijk zelfs om onze traditie te vernieuwen en nieuwe mogelijkheden te verkennen. In deze tijden vol verandering moet aansluiting bij de huidige cultuur bewaard blijven. Maar laten we onze oude eerbiedwaardige tradities niet vergeten en die koesteren. Dat is het oude Geneefse psalter waard.

Psalm 78:2 (lied 78 in het nieuwe liedboek)

psalm

 

ds. Marco Roepers

 

Juni 2013

gedicht

De ochtendstond heeft goud in de mond. Dat is een spreekwoord over de vroege ochtend. Meestal wordt op vakantiedagen uitgeslapen. Dat is heel begrijpelijk, maar ook wel jammer. Want hoe mooi is die vroege ochtend niet? In het vroege morgenlicht ziet alles er anders, mooier uit dan overdag. De kleuren zijn feller, de schaduwen scherper. En de dauw geeft een grasveld in dat licht een zilverachtige glans. De wereld lijkt wel nieuw, herboren.

Eleanor Farjeo
Eleanor Farjeon

Over die sensatie gaat dit lied: Dit is een morgen als ooit de eerste. Het staat in het nieuwe liedboek als nr. 216. Het is heel bekend omdat het een grote hit is geweest in 1972 van Cat Stevens (youtube). Hij komt al jaren voor in de Top 2000 van Radio 2. Maar het lied is niet door Cat Stevens geschreven. Het is geschreven door Eleanor Farjeon (1881-1965) in 1931. Het is een lied (youtube) om God ‘s morgens te danken voor de nieuwe dag. Het is wat men in Engelstalige landen een hymn noemt. In Nederland noemen we dat een  “Geestelijk lied”, maar hymn klinkt gewoon mooier. Het lied is geschreven op een traditionele Schotse melodie met de naam Bunessan, naar een dorpje op het  Schotse eiland Mull.

Het lied beschrijft een ochtendsensatie: De wereld lijkt wel nieuw in de morgen als hij net geschapen is.  Het is of God net zijn scheppingswoord gesproken heeft.  Zo mooi is het licht, zo zuiver zingen de vogels. En met die vogelzang stemt dit lied in. Het dankt de schepper voor dit nieuwe begin.

De wereld lijkt wel een tuin, het ruikt heerlijk en overal groeit voedsel. Net als in de tuin van Eden, waar de bomen ook vrucht gaven. En eindigt het tweede vers met een zin die refereert aan een zin die in Genesis 1 steeds herhaald wordt: En God zag dat het goed was.

Zo geeft dit lied aan de ochtendsensatie nog meer glans. Het is een nieuw begin, een herschepping. God maakt een nieuwe start met alles. Dat is ten diepste verbonden met het Christelijk geloof. God maakt alles nieuw. Dat was Jezus’ missie.  En de ochtend kan ons daar zomaar aan herinneren.

ds. Marco Roepers