Meditatie maart 2018

Aan de oever van de rivier

Toen ik een kleine jongen was hoorde je op de radio vaak het liedje ‘Daar bij de waterkant”. De meneer die het zong, Eddy Christiani, herinnerde daarin zijn vrouw eraan dat hij haar voor het eerst bij de waterkant had ontmoet. “Ik vroeg of jij me kussen wou, daar bij de waterkant”, zong hij. Het meisje “kreeg een kleurtje en zei: ‘Nee,  Hoe komt u op ’t idee, u bent beslist abuis!’” Maar Eddy hield vol, en “na verloop van nog geen jaar, werden wij een paar; stonden wij samen op de stoep van het stadhuis!”. Ik wist niet beter of het was een typisch Hollands liedje, over een aardig meisje, op een aardig wijsje.

Pas toen ik wat ouder werd, en Engels leerde, kwam ik er achter dat het lied van oorsprong helemaal niet Nederlands is, maar een Negro Spiritual, ‘Down by the Riverside”. Het begint met “Gonna lay down my burden down by the riverside”, en dan zitten we al midden in de plantages van het Amerikaanse Zuiden. Slaven die worden uitgebuit en mishandeld dromen ervan hun zware last van zich af te leggen, aan de oever van de rivier. Die rivier zou het water kunnen zijn dat het leven van de dood scheidt, of een symbool van Gods majesteit. Maar in ieder geval is het een weg naar de vrijheid: slaven die probeerden te vluchten werden achtervolgd met speurhonden en de enige kans om aan die verscheurende beesten te ontkomen was de rivier ingaan en pas een heel eind verder weer opduiken. In het refrein van het lied belooft de zanger zichzelf dat hij zich niet langer met strijd zal bezig houden, maar rust zal vinden.

Het oorspronkelijke lied heeft dus heel wat meer diepgang dan de Nederlandse vertaling. In handen van een commerciële zanger kun je verwachten dat die hoop, dat verlangen, dat gebed, verloren gaan. In een kerkelijke omgeving zou het lied met meer respect en zorgvuldigheid zijn behandeld.

Dat zou je denken. Maar aan die zorgvuldigheid ontbreekt het nog wel eens als een lied wordt vertaald.

AfbeeldingsresultaatNeem bijvoorbeeld ‘God be with you till we meet again’. De tekst is van Jeremiah E. Rankin, dominee in een kerk in Washington, in 1882. Die kerk was een kerkkoor rijk, en Rankin schreef de woorden bij wijze van afscheidsgroet, die het koor kon zingen als het aan het eind van een repetitie uiteen ging. Het lied leek Afbeeldingsresultaatdaarin een beetje op de zegen aan het eind van een kerkdienst. De prachtige melodie waarop het in de Nederlandse kerken bekend is, werd in 1906 geschreven door de Engelse componist Ralph Vaughan Williams.

In het nieuwe Liedboek vinden we het als nummer 416, in een vertaling van Gert Landman. Het zinnetje  “God be with you till we meet again” wordt in het oorspronkelijke lied vele malen herhaald, en in Landman’s vertaling vinden we even vaak “Ga met God en Hij zal met je zijn”.

Misschien komt het door die vele herhalingen dat ik me bij dat Nederlandstalige lied wat ongemakkelijk ga voelen. “Ga met God en Hij zal met je zijn”— eerst klinkt het als een vrome aansporing, maar wat zegt het nu eigenlijk? Als je erover

 nadenkt is het een dooddoener, twee keer hetzelfde in verschillende bewoordingen. Hoe zou je met God kunnen gaan als Hij niet met je was? Je kunt toch ook niet met Marie gaan wandelen als Marie niet bij je is?

Of wordt ons hier een les gelezen, in de trant van  “Leef Gods wetten na, dan zal hij je steunen?” Dat roept dan bij mij weer nieuwe vragen op. In het Engels wensen de zangers elkaar Gods aanwezigheid zonder voorbehoud en zonder voorwaarden toe. Er klinkt een gevoel van saamhorigheid in: bij het uiteengaan elkaar zegen toewensen, en hopen dat je elkaar straks weer terugziet. Maar de Nederlandse versie doet daaraan geen recht. Misschien kon de vertaler geen precies op de melodie passende tekst bedenken: vond hij “God zij met U tot ons wederzien” te ouderwets? Hoe dan ook, Rankin’s woorden getuigen van persoonlijke betrokkenheid, warmte en hoop; de vertaling geeft ons in plaats daarvan alleen een vroom opgeheven vingertje.

Vroom opgeheven vingertjes, daar hebben wij Nederlanders een handje van. Dat valt me nog meer op bij een ander lied, ook op een mooie melodie, het Franse ‘Dans nos obscurités’ (598 in het Liedboek). Het is een korte tekst ontstaan in de gemeenschap van Taizé en op muziek gezet door Jacques Berthier, die veel religieuze melodieën heeft geschreven. Sommige ervan zijn cantilenes, geschikt om vaak te worden herhaald: ‘Ubi caritas’ en ‘Nada te turbe’ zijn bijvoorbeeld ook van hem. Van zulke vaak herhaalde korte teksten mag je verwachten dat ze diepe waarheden verwoorden.

En in het origineel wordt die verwachting bewaarheid. De tekst staat in het liedboek in het Frans weergegeven: “Dans nos obscurités allume le feu qui ne s’éteint jamais”. Plompweg vertaald betekent dat: ‘Steek in onze duisternissen het vuur aan dat nooit uitgaat’. Het is duidelijk dat er slechts één enkel iemand wordt opgeroepen een vuur aan te steken: het gebruikte woord is ‘allume’, de tweede persoon enkelvoud van het werkwoord. De oproep wordt gedaan door een veelvoud van mensen (‘nos obscurités’). Ze bekennen dat ze zijn gehuld in duisternis, ieder in zijn of haar eigen duisternis, en dat ze vuur en licht nodig hebben. Ze vragen niet zomaar om een vuur dat nooit uitgaat, maar om hèt vuur (‘le feu’). Dat verzoek is onmiskenbaar gericht tot God, die in het Frans met ‘tu’ (gij of jij) wordt aangesproken (niet met de beleefdheidsvorm ‘vous’ zoals Nederlanders misschien zouden verwachten).

Er bestaat een goed zingbare vertaling die deze betekenis zorgvuldig weergeeft:

In onze duisternis
Ontsteek, Heer, het vuur dat nooit meer doven zal

 Maar de samenstellers van het nieuwe Liedboek hebben daar niet voor gekozen.  Voor zangers die het Frans niet machtig zijn hebben ze de volgende vertaling toegevoegd:

Als alles duister is,
ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft.

In deze vertaling is niet duidelijk dat ieder in zijn eigen duisternis zit opgesloten, en ook niet wie daar iets aan moet gaan doen. Het klinkt meer als: ‘Kom op jongens, als het even tegenzit de handen uit de mouwen, een vúúr moet er komen, dat nooit meer uitgaat!’ Weer zo’n vrome aansporing waar je, als je er over nadenkt, niet veel mee kunt. Waar vind je zo’n wonderbaarlijk nooit-uitgaand vuur, en wie gaat het voor ons halen?

Misschien heeft de vertaler het motto van Amnesty International in zijn of haar achterhoofd  gehad: “Het is beter een kaars aan te steken dan het duisternis te vervloeken.” Goede leus, schijnt afkomstig te zijn van een Chinese wijsgeer: maar juist zo’n wijze Chinees kent de mens goed genoeg om te weten dat wij niet beschikken over een vuur dat nooit meer dooft. Een kaars is al heel wat.

Voor een vuur dat nooit meer dooft—voor hèt vuur dat nooit meer dooft—moet je bij God zijn: God zelf is dat vuur, en Hij is tegelijkertijd het licht dat door dat vuur wordt verspreid. Het lied van Taizé is dan ook niet bedoeld als wijze raad aan geloofsgenoten, maar als gebed.

Wat de samenstellers van het nieuwe liedboek ook mag hebben bewogen, ik stel voor dat we ons houden aan de oorspronkelijke bedoeling van dit lied. Als we het in het Nederlands willen zingen, laten we dan een vertaling gebruiken die recht doet aan de aard van het lied als gebed.

Een gebed als een bekentenis van onmacht, en een overgave aan een grotere macht dan wijzelf. Als het afleggen van een zware last aan de oever van een rivier.

Henk Dragstra




Meditatie januari 2018

Het brood des levens

‘Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.’

Brood is een essentiële levensbehoefte. Tijdens lessen economie op het voortgezet onderwijs leerde ik dat het was voorgekomen dat brood duurder werd en dat door die prijsverhoging er meer brood werd verkocht. Normaal gesproken zou er minder van worden verkocht. Hoe duurder, hoe minder mensen ervan kopen. De verklaring was dat brood noodzakelijk is en dat als het duurder werd, mensen minder geld hadden voor luxe voedsel en daardoor meer brood gingen eten. In Johannes 6 geeft Jezus 5000 mensen te eten met slechts vijf broden en twee vissen. Zo’n koning willen de mensen hebben die ervoor zorgt dat er altijd genoeg te eten is.

En dat weigert Jezus, als ze Hem daarvoor zoeken dan hebben ze geen idee wie hij is en wat hij werkelijk te bieden heeft: “u zoekt me niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u brood gegeten hebt en verzadigd bent. U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft.”

Met andere woorden: U gaat voor de bevrediging van behoeften maar wat ik te bieden heb heeft te maken met een andere hogere geestelijke werkelijkheid. Wie werkelijk deel aan mij krijgt, krijgt deel aan de eeuwigheid van God.

Hoe krijgen we dan deel aan Jezus? Door te luisteren naar wat hij zegt en te geloven dat Hij de zoon van God is. Jezus lijkt te zeggen dat het gaat om het geestelijke en dat al het materiële iets is dat ons van onze werkelijke levensbestemming afhoudt. Ligt het dan zo in het Johannesevangelie dat de materiële werkelijkheid niets met God te maken heeft?

En dan zegt Jezus de woorden hierboven. Ik ben het levende brood. Het is een van de uitspraken die beginnen met “Ik ben” en daarin echoot de Godsnaam uit Exodus 3: 14 door: Ik ben die er zal zijn. Hij zegt vervolgens dat Hij levende brood is en dat dat brood zijn lichaam is dat hij geven zal voor het leven van de wereld. Daarvoor heeft hij gesproken over het kauwen van zijn vlees en het drinken van zijn bloed dat eeuwig leven geeft. Ik heb het op de Johannesleeskring samen met anderen gelezen en weer opnieuw gelezen, maar ik denk dat hier verwezen wordt naar wat in de andere evangeliën en in 1 Korintiërs beschreven wordt als de instelling van het avondmaal. Jezus drukt zich heel fysiek uit in termen van kauwen, brood en zijn lichaam worden gelijk gesteld, het gaat ook om het drinken van het bloed van Jezus.

Het moet daarmee te maken hebben. De instelling van het avondmaal komt niet voor in het Johannes evangelie, maar hier vinden wij toch een uitleg wat er gebeurt tijdens de viering. Jezus raakt ons  fysiek aan in de vorm van brood en beker wanneer wij de woorden die Jezus spreekt geloven dat het brood dat wij eten de beker die wij drinken eeuwig leven geeft.

Het feestelijke wordt hier verbonden met het materiële. Het materiële wordt hier opgetild en in een nieuwe werkelijkheid getild. Het avondmaal vieren wij ook altijd in een gemeenschap in een kerk. Het is het grote feest van de verbondenheid omdat Jezus zijn leven geeft aan ons. Wij als kerk kunnen dit vieren en het is Jezus die onze handelingen met zijn woorden een nieuwe dimensie geeft.

Ds. Marco Roepers




Meditatie december 2017

KERST ALS VOORWOORD

Kerst vind ik een geweldig aansprekend feest. Dat komt door de sfeer van huiselijkheid, door de kaarsjes en andere lichtjes. Ik moet altijd denken aan het heel korte gedicht van Hans Andreus:

Het licht doet me van tijd
tot tijd herinneren
aan het licht.

Ik voel tot nu toe mij elk jaar thuis met kerst, en tegelijk meer dan thuis: kerst verwijst mij naar dat wat boven mij uitgaat.

Tegelijk is kerst een feest dat een dubbel gevoel geeft. Want juist tijdens die gezellige dagen komt het snoeihard aan als je het niet zo gezellig hebt. Als je eenzaam bent of – net zo erg – als je je eenzaam voelt in een gezelschap van mensen die het erg gezellig lijken te hebben. De meeste kerstsongs uit de popmuziek gaan dan ook of over de geweldige gezelligheid van kerst of juist over het tegendeel: dat je je niet thuis voelt met kerst.

Ik moet erkennen dat kerst een laatkomertje is op de christelijke feestkalender. Het eerste en belangrijkste feest van ons geloof is Pasen, met daaraan altijd gekoppeld Goede Vrijdag. Kerst kwam pas later op, zeker het idee om kerst te vieren in december. Dat was een mooie manier om de heidense zonnewendefeesten een halt toe te roepen. Jezus is immers de zon van de wereld, hij is het licht. Dus vieren we rond 21 december niet meer de terugkeer van de zon, maar de komst van Jezus.

Kerst is een laat feest, alsof men het in de vroege kerk niet zo belangrijk vond om het te vieren. En inderdaad, als je een vergelijking maakt tussen het lijdensverhaal van Jezus en zijn geboorteverhaal dan ontdek je iets opvallends. De lijdensverhalen in alle vier de evangeliën lijken veel op elkaar. Maar de geboorteverhalen verschillen nogal.

Marcus, het oudste evangelie, heeft helemaal geen geboorteverhaal. Die valt gewoon met de deur in huis en begint met de doop van Jezus met water en met Geest. Johannes, het jongste evangelie, begint met een prachtige filosofische beschouwing: het gaat eerder over de (weder)geboorte van ons als kind van God dan over de geboorte van Jezus.

Alleen Matteus en Lucas hebben een geboorte-verhaal van Jezus opgeschreven. Maar dat doen ze dan weer zo verschillend dat je je afvraagt hoe dat mogelijk is. Matteus schrijft over Jezus’ geboorte in een huis in Bethlehem, daar komen wijzen uit het oosten op bezoek. Lucas schrijft ook over Bethlehem, maar Jezus wordt geboren in een stal. In zijn evangelie komen herders op bezoek. Wat moet je nu denken van die verschillen?

Ik denk dat de evangelisten het geboorteverhaal dat ze opschreven, zagen als een voorwoord bij hun verhaal over Jezus. Ze willen vertellen wie Jezus is, en hoe belangrijk hij is voor ieder mens. Hun geboorteverhaal is niet het belangrijkste onderdeel daarin. Ze gebruiken het vooral om hun lezers mee te nemen naar wie Jezus is en wat hij met je doet. Voor hen is Jezus zeker het licht dat schijnt in de wereld, het licht waaraan je je eigen licht kunt ontsteken.

Kerst is het feest van het licht van God, dat schijnt  in onze wereld. Dat is niet het licht van hoe ik mij behaaglijk thuis voel met kerst. Maar het licht dat mij doet herinneren aan hoe ik een ander een thuis kan geven.

Ds. Tjalling Huisman




Meditatie november 2017

Nu laat G’ uw knecht in vrede gaan

Nu laat G’ uw knecht in vrede gaan
naar uw wille.
Mijn hart heeft deze troost verstaan
zacht en stille,
want God heeft mij beloofd:
De dood zal als een slaap zijn.

Dit is het eerste vers van het lied “Mit Fried und Freud fahr ich dahin” van Maarten Luther in de vertaling van prof. J.P. Boendermaker. Het is Luthers versie van de lofzang van Simeon. Simeon wordt in Lucas 2 door de Geest naar de tempel toe gedreven. Hij had een Godsspraak ontvangen dat hij de Messias zou zien voordat hij zou sterven en dat woord gaat in vervulling als hij het kindje Jezus ziet met zijn ouders. Hij neemt het kind in de hand en dan volgt de lofzang van Simeon. Dat lied werd sinds de zevende of achtste eeuw dagelijks gezongen, dus niet alleen in de periode van kerst.

Luther kende het lied en was er aan gehecht. In zijn versie van het lied wordt duidelijk waarom het belangrijk voor hem is. Het gaat ook over de troost die het geloof biedt. Het geeft uitzicht over de dood heen naar het eeuwig leven dat God beloofd heeft. In een preek over het loflied van Simeon schrijft Luther dat Simeon het rijk van dit kind zag en alle wonderwerken en daden die dit kind zou verrichten en dat allemaal onbegrijpelijk en ongelofelijk was. Dat was volgens Luther de ware aard van het geloof dat je daar tegen alle begrip en verstand in op vertrouwt. Zo ziet het verstand en de natuur ook het eeuwig leven niet en toch vertrouwt de gelovige daarop op grond van Gods barmhartigheid. Dat is ook de boodschap van het lied en daarmee vol troost.

Dat is de troost die we op de laatste zondag van het kerkelijk jaar nodig hebben wanneer wij de namen noemen van hen die ons ontvallen zijn. Zij zijn niet aan de dood overgegeven, maar zijn aan God toevertrouwd die ons het eeuwig leven belooft.

Dat vertrouwen op Gods belofte dat zo centraal staat in dit lied, speelt ook een belangrijke rol in de periode die daarop volgt op de laatste zondag van het kerkelijk jaar, namelijk advent. In deze periode zien wij uit in vertrouwen op de komst van God die ons zal verlossen van nood en dood.

In het kind Jezus ligt de vervulling van deze belofte al besloten, zo zegt Luther Simeon na. En zo gaat dit lied ook over kerstfeest en de blijdschap en licht die daarbij horen. Het slotvers maakt dat heel duidelijk als het gaat over licht, herderschap en vreugde.

Hij is het klaar en eeuwig licht
voor de heiden
zij vinden voor zijn aangezicht de goede weiden
Hij is uw volk Israël
tot eer en prijs en vreugde

De melodie en het ritme van het lied zijn niet zo geschikt voor gemeentezang. Ze versterken de boodschap van de tekst, maar het vereist wel oefening. Dat zal wel de reden zijn dat het niet in het liedboek is opgenomen. Toch is het een heel troostrijk lied en een waardevol onderdeel van de erfenis van de reformator.

Ds. Marco Roepers




Meditatie oktober 2017

MAALTIJD VAN DE HEER

Het vieren van het avondmaal heeft mij nooit veel gedaan. Ik vond het maar een wereldvreemde vertoning, tot die zondag in mijn nieuwe kerk in Amsterdam. In een kring staan we, voorin de kerk. Om mij heen zie ik een aantal al bekende gezichten, en een behoorlijke groep mensen van de straat: verslaafd, dakloos, illegaal. Het zit me niet lekker naast zo iemand te staan. Maar bijna op hetzelfde moment dat ik mijn tegenzin bespeur, word ik overvallen door een gevoel van verbondenheid. Opeens krijgen dat stukje brood en het slokje wijn zin, opeens ervaar ik iets van Jezus in het delen met al die mensen in de kring.

Een mooie naam voor avondmaal vind ik het: Maaltijd van de Heer. De Heer is Jezus. Het is niet de maaltijd van de kerk of de maaltijd van domie. Nee, er is er maar één gastheer.

Natuurlijk doet deze maaltijd denken aan de laatste maaltijd van Jezus met zijn leerlingen. Maar ik moet ook altijd denken aan andere verhalen over Jezus die eet met mensen. Dat hij eet met die rotzak Zacheus, die zich dan bekeert. Dat hij eet bij een Farizeeër thuis en dan komt er een vrouw die in de stad bekend staat als zondares: Jezus’ voeten worden nat door haar tranen, zij droogt die met haar haren, ze kust ze en wrijft ze in met olie. Haar zonden worden haar door Jezus vergeven, want ze heeft veel liefde betoond. De Farizeeërs en de Schriftgeleerden mopperen: die man ontvangt zondaars en eet met hen!

Deze verhalen maken mij altijd bedachtzaam als ik de nodiging voor het delen van brood en druivensap uitspreek. Officieel kan alleen wie gedoopt is, deelnemen aan de Maaltijd van de Heer. Dat is de regel in onze kerk, en in de meeste kerken. Maar de verhalen over Jezus die eet met de mensen, zijn veel ruimhartiger. Dat brengt mij er toe om altijd ruimer uit te nodigen voor het avondmaal.

In de eerste Korintiërsbrief (11: 23 – 26) vind je het oudste bericht over de viering van het avondmaal. Uit het stuk kan je opmaken dat de eerste christelijke gemeente altijd brood en beker deelde als men samenkwam. Paulus schrijft:

Want wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf. In de nacht waarin de Heer Jezus werd uitgeleverd nam hij een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood en zei: ‘Dit is mijn lichaam voor jullie. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en hij zei: ‘Deze beker is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. Doe dit, telkens als jullie hieuit drinken, om mij te gedenken.’ Dus altijd wanneer u dit brood eet en uit de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat hij komt.

Het avondmaal is geen geschiedenisles, het is geen gebeuren uit het verleden dat we in herinnering roepen door er een toneelstukje van te maken. Natuurlijk herinnert het aan Jezus, maar het gaat over hier en nu. En het wijst vooruit naar de komst van Jezus, naar een wereld waarin er goed leven is voor iedereen.

Brood en beker, mijn lichaam en mijn bloed. Dat betekent dat met het brood en de beker, Jezus zelf aanwezig is. Zijn aanwezigheid kun je op vele manieren uitleggen en beschrijven. Maar één van de manieren waarop hij aanwezig is, is zeker dat je hem tegen kunt komen in de ander met wie je brood en beker deelt.

 

Voordat brood en beker rondgaan, wordt altijd het Onze Vader gebeden. Niet voor niets, het is het gebed van Jezus. Ik vind het een mooie gewoonte om elkaar daarbij een hand te geven. Dat betekent niet dat we elkaars vriend zijn. Nee, het kan zelfs betekenen dat je je vijand de hand geeft. De verslaafde naast wie ik ooit in de kerk van Amsterdam stond, kon mij net zo goed tijdens de koffie na de dienst bestelen; hij had nu eenmaal geld nodig voor zijn verslaving, de rotzak. Maar dat hand geven wijst vooruit, naar een wereld waarin we niet meer elkaars rotzak zijn.

 

Het gaat tijdens de Maaltijd van de Heer om de dood en het leven van Jezus. In leven en dood heeft hij zich aan ons en onze wereld verbonden. Volgens mij kun je daaraan zien wie God is: degene die op leven en dood met ons en onze wereld verbonden is. Vaak zie je daar niets van. Daarom vind ik het mooi als  – voordat brood en beker rondgaan – er voorbeden worden uitgesproken. Daarmee wordt de kring groter gemaakt: ook wie er niet is, wordt uitgenodigd mee te delen.

 

De vredegroet is voor mij een onmisbaar deel van de Maaltijd van de Heer. Je wenst mensen om je heen vrede, niet omdat je altijd vrede met hem of haar hebt. Het gaat om de vrede van Jezus of de vrede van Christus. Dat is iets dat boven onze positieve of negatieve gevoelens uit gaat, het is sterker dan onze slechte of goede bedoelingen. Het is meer dan wij ons kunnen voorstellen, meer dan wij kunnen bevatten. Maar we mogen er wel deel aan nemen.

Daarom vind ik de mooiste vorm om de Maaltijd van de Heer te vieren, de kring: je ziet elkaar staan, het zijn niet allemaal vriendinnen en vrienden in de kring. Maar je kunt beseffen dat in Christus, in Jezus er samenhang is: zin ondanks alle zinloosheid, vergeving ondanks boosheid en wrok, toekomst ondanks alle uitzichtloosheid.

ds Tjalling Huisman




Een open huis

Een open huis is het thema van de startzondag op 17 september. We gaan na de  de kerkdienst in de Vredekerk in groepen bij gemeenteleden op bezoek. Mooi en bijzonder dat mensen ons willen ontvangen. Ik moest bij de voorbereiding denken aan een bijbeltekst: Hebreeën 13:2

Vergeet de gastvrijheid niet, want hierdoor hebben sommigen zonder het te weten engelen onderdak geboden.

Wie was dat, die door gastvrij te zijn, engelen ontvangen heeft? Ik moest denken aan Genesis 18, waar Abraham, zittend onder de eiken in Mamre opschrikt als hij drie mannen ziet. Hij loopt hen tegemoet en nodigt hen vriendelijk uit, bij hem te verblijven. Hij biedt hen verzorging en een uitgebreide maaltijd aan. Uit de belofte die de mannen doen dat Abraham en Saraï een zoon zullen krijgen blijkt dat de mannen God of engelen zijn. En Abraham wist het niet toen hij hen uitnodigde.

Ik las dat de gastvrijheid van Abraham heel gebruikelijk was in het oude oosten. Is dat zo? Is de gastvrijheid die Abraham hier ten toon spreidt ook niet voor het Oude Oosten heel vergaand? Het waren immers onbekenden voor hem? Sterker nog, even verderop in Genesis lezen we hoe vijandig de mensen in Sodom tegenover vreemdelingen stonden. Zo uitzonderlijk ongastvrij Sodom is, zo uitzonderlijk gastvrij is Abraham. Ik denk dat gastvrijheid belangrijk is in het Oude Oosten, maar nooit vanzelfsprekend. In Genesis is Abraham een voorbeeld van gastvrijheid. Een heel groot voorbeeld, waar de mensen in het Oude Oosten niet aan konden tippen en wij waarschijnlijk nog minder.

Vandaar ook die aansporing in de Hebreeënbrief. Abraham wordt niet genoemd en toch is hij hier een voorbeeld. Deze twee teksten zijn lang niet de enige plaatsen waar gastvrijheid belangrijk gevonden wordt. Een van de motieven kunnen wij bij Abraham vinden. Abraham zelf was vreemdeling in een vreemd land. Hij woont in het land dat zijn nakomelingen beloofd is, maar hijzelf woont er als een vreemdeling. Met die vreemdelingen die hij zag staan had hij een een lotsverbondenheid. Het vreemdeling zijn. Vreemdelingen zijn aangewezen op gastvrijheid. Ze hebben geen rechten, maar leven van de gunsten. Dat besef maakt een mens open. Open voor de mensen op zijn weg en open voor God. Een mens kan in het gastvrij ontvangen van anderen God ontmoeten, zonder het te weten. Dat is de suggestie die Hebreeën doet. Abraham ontvangt in zijn tent God die hem het land belooft. De werkelijke eigenaar van Kanaän. Dat geldt ook voor ons. God is de gever van alles, hij biedt ons alles aan, om te wonen, te eten en te leven. In feite is God de gastheer van ons hele bestaan.

Zo zijn wij op de startzondag ook welkom bij gemeenteleden en die tonen iets van hun leven. Maken we kennis met de plek waar zij geborgenheid ervaren, de plek waar zij leven, in de meest directe kring van hun leven. Zijn wij daar even te gast, maar gastvrijheid is nooit vanzelfsprekend. Het is juist die openheid die ons met elkaar verbindt. Daar leren wij elkaar beter kennen en groeit de gemeenschap. En daar waar verbondenheid tussen mensen groter wordt, daar is God aanwezig.

Ds. Marco Roepers




Meditatie juli 2017

K E R K J E  S P E L E N

Het zat er al jong in: toen ik een kind was speelde ik kerkje. Het was een ongevaarlijk spel. Een stuk ongevaarlijker dan het voetballen, dat ik daarna ontdekte. Spelen wij als gemeente  elke zondag en soms door de week  ook kerkje, een ongevaarlijk gezelschapsspel voor liefhebbers? Wat is kerk zijn, wat is de kern van kerk zijn?

Is het de dominee?
Nee, het is niet de dominee. Hoewel de dominee zichzelf soms erg belangrijk vindt, hij of zij is slechts voorbijganger. Hoewel veel mensen afrekenen met de kerk, omdat dominee zus of dominee zo toen dit of dat heeft gedaan en toen zijn zij afgehaakt. Zonde, want zo laten zij zich de kerk afnemen en staan ze voortaan wat passief aan de kant.

Is het het gebouw?
Nee, het is niet het gebouw. Hoewel het je wel veel kan doen, als je in een gebouw kerkt waar de wolk gebeden van jaren en jaren hangt. Voor veel mensen buiten de kerk valt de kerk wel samen met het gebouw. Ze zien zo’n prachtig en oud gebouw staan en daaraan koppelen ze de gedachte: de kerk is machtig, de kerk moet wel rijk en groot zijn.

Is het de liturgie?
Nee, het is niet de liturgie. Hoewel het in de beleving van je geloof een grote rol kan spelen. De één houdt nu eenmaal meer van handjes in de lucht & voetjes van de vloer, een ander zoekt stilte en inkeer. Maar de kerk is niet een vereniging tot bevordering van de juiste liturgie.

Is het de clubgeest?
Nee, het is niet de clubgeest. Hoewel de kerk een groep van gelijkgestemden is, is er geen sprake van een clubgeest. Een club of een vereniging doet aan klaverjassen, voetballen of gedichten lezen. De clubgeest bindt je aan de club. In de kerk is er een Geest die je steeds weer wegstuurt, de kerk uit. En niet met als doel om zoveel mogelijk leden voor de club te werven (toegegeven, er zijn nogal wat kerken die dat niet begrijpen; blijkbaar zien zij hun kerk als club, die zij groter willen maken).

Het is de liefde van Christus.
Ja, het is de liefde van Christus. Dat is de kern van kerk zijn, dat is de stemming die in de kerk moet hangen. Liefde is gemakkelijk voor wie je wel aardig vindt, maar liefde geldt ook voor wie je niet aardig vindt: voor de eigenaardigen, voor degene aan wie je een hekel hebt en noem maar op. Liefde is dan ook niet lief zijn voor elkaar, liefde is de ander – ondanks alles  kunnen zien in de liefde van Christus.

Kerkje spelen?
Nee, de kerk is geen club. De kerk is een samenraapsel van mensen, geraakt door de liefde van Christus. De kerk is een zootje gewone mensen, die er op uit gestuurd wordt met die liefde. Liefhebbers zijn ze, maar niet van een ongevaarlijk gezelschapsspel.

ds Tjalling Huisman




Meditatie juni 2017

Nu bidden wij de Heilige Geest

Dit jaar 2017 is een jubileumjaar voor de reformatie. Op 31 oktober 1517 sloeg Maarten Luther zoals zijn vriend Philip Melanchton na zijn dood vermeldde de 95 stellingen aan de deur van de slotkapel in Wittenberg. Dat zal dit jaar 500 jaar geleden zijn. De reformatie is daarmee sterk verbonden geraakt met de theologie van Maarten Luther die de rechtvaardiging door het geloof centraal stelde.

Een van de plekken waar we teksten van Luther kunnen tegenkomen is het Liedboek. Het oude liedboek, maar zeker ook het nieuwe liedboek bevat liederen die door Maarten Luther zelf geschreven zijn. Luther vond zingen een belangrijk onderdeel van geloven. Hij vond dat de gemeente zelf moest gaan zingen tijdens de dienst en niet slechts de geestelijkheid of een koor. Voor deze vernieuwing, namelijk gemeentezang als een belangrijk onderdeel van de liturgie, schreef hij liederen. Ze zijn vaak geïnspireerd op psalmen of oude liturgische hymnen, die door Luther geschikt gemaakt werden om door de hele gemeente gezongen te worden. Zo werd de hele gemeente de woorden in de mond gelegd. In deze liederen drukt  de gemeente zelf het geloof uit. De woorden worden vertrouwd doordat ze gezongen worden en geven ieder betrokkene meer inzicht in het geloof.

Een van de liederen van Luther die ikzelf heb opgegeven de laatste tijd is ´Nu bidden wij de Heilige Geest.´ Dat is Lied of gezang 671.

Het eerste vers gaat als volgt:
Nu bidden wij de Heilige Geest
om een recht geloof het allermeest,
dat Hij ons verblijde en ons bevrijde
en aan ’t einde ons naar huis geleide.
Kyrieleis.

Het is een gebed om de Heilige Geest. Luther en in zijn kielzog de Lutherse traditie is wel eens verweten hier weinig aandacht voor te hebben. Maar in dit lied staat het centraal. Natuurlijk is het een bewerking van een oude Middeleeuwse hymne, maar Luther heeft toch gemeend dat het lied met de Heilige Geest als centraal thema een plaats moest hebben in het leven van de gelovigen en de gemeente.

Het geloof is namelijk een geschenk van God. Wij geloven omdat God ons dat geloof geschonken heeft. Wij vinden geloven soms zo moeilijk omdat wij het niet kunnen begrijpen of het in overeenstemming kunnen brengen met allerlei wetenschappelijke inzichten, of omdat we het niet zo precies voelen. Maar bij Luther is het gewoon een gift van God en niet iets dat wijzelf tot stand moeten brengen. Persoonlijk vind ik dat heel bevrijdend. Ik geloof en niet omdat ik mijzelf daartoe heb opgewerkt maar gewoon omdat ik het krijg. Ik hoef het ook niet alleen allemaal  te begrijpen en met allerlei wetenschappelijke en maatschappelijke opvattingen in overeenstemming te brengen. Ik geloof, hoe ongerijmd dat ook is. En het is de Heilige Geest die mij dat schenkt. “Wat is de Heilige Geest? Hoe moeten we ons dat voorstellen?” Dat moeten we helemaal niet, we krijgen het geloof van de Heilige Geest. Het is Gods “Ja” voor ons. Het is iets dat blij maakt en vrolijk. Het is alleen de Heilige Geest waardoor Jezus voor ons een realiteit wordt. Zo staat in het tweede couplet. We lezen over Hem in de Bijbel en daar lezen we oude Woorden, maar de Heilige Geest maakt Jezus tot een realiteit waarmee wij in verbinding staan. Hij is er gewoon en hij houdt van ons. Geen figuur uit een boek, maar een levende gestalte.

En dat geloof verbindt ons met elkaar. In die realiteit aanvaarden wij elkaar. Zo zegt Luther in het derde couplet. En dat gebeurt net zoals in  de eerste twee als een bede. En in die bede ontvangen we het. Juist door erom te bidden ontvangen we de realiteit van de Geest waarin Christus leeft.

Toch is er ook twijfel. Altijd is er twijfel. De ergste is die aan onszelf. Horen wij er wel bij? Geloven wij wel echt? Leven wij het geloof op de manier zoals zou moeten? Veroordeelt God  ons niet? Dat is een stem die Luther zelf ook veel heeft gehoord. Maar het is de stem van God niet. Het is de stem van de tegenstander. God zegt “Ja” en in het derde vers bidt Luther of dat “Ja” van God ook mag zegevieren in ons hart, tegen alle verstikkende twijfel in.

Ds. Marco Roepers




Meditatie mei 2017

Pinksteren

Ik zit aan mijn bureau. Voor mij ligt een stapel met blaadjes, volgeschreven met overtuiginkjes en ideeën. Stuk voor stuk preekjes in de dop. Mijn geloofspapieren. Opeens gaat het raam open, opeens vliegt de deur open. Een golf warme wind waait door de kamer, wervelt om mij heen en blaast al mijn blaadjes de lucht in. Daar gaan ze, ze fladderen op de stroom van de wind door open deur en open raam heen naar buiten. En ik, ik ren er achter aan: mijn geloofspapieren, roep ik uit.

In mijn blinde haast bots ik tegen iemand aan, een jongen met een baardje. Hij heeft een papiertje in zijn hand. Hier staat Jezus op, zegt hij, dat is een coole gast man, sick! Jij bent toch van de kerk?! Ach, zeg ik, ik kom ook wel eens op het voetbalveld. Nee man, jij bent van de kerk! Jullie zouden iets met die Jezus moeten gaan doen, dat is echt iets voor jullie! Dan kom ik ook eens langs.

Ik ren verder achter mijn geloofspapieren aan. Zingeving, roept iemand naar mij, vanaf de overkant van de straat. Ze heeft een briefje in de hand en staat er mee te zwaaien: zingeving! Daar zou ik wel eens iets van willen weten, zou je daar met mij over willen praten? Alles heb ik, maar ik mis iets. Wil je samen met mij zoeken? Ik zie dat jij ook op zoek bent, ik zie het aan je ogen. Jij bent toch van de kerk? Ach, zeg ik, maar ik kom ook wel eens in de kroeg. Maak niet uit waar, zegt ze.

Dan zie ik weer een papiertje voorbij komen. Ik ren er achter aan, struikel en val hard op mijn gezicht. Een grote tong likt over mijn wang. Gaat het, mister? Ik kijk op in de bloeddoorlopen ogen van een vechthond, aan de lijn van zijn even afschrikwekkende baas. Gaat het mister? vraagt hij. Ik ken jou wel, jij bent van de kerk. Dat is niets voor mij, niets voor mijn soort mensen. Oké hoor, dat er een kerk is. Want als ik dood ben, wil jij dan mijn begrafenis doen? Als je mij maar niet de hemel in prijst! Een harde, droge lacht komt uit zijn mond. Hij pakt mij onder mijn armen, zet mij overeind en met een zakdoekje maakt hij mijn gezicht schoon. Hier, je papiertje, zegt hij. Ik kijk wat er op staat: Barmhartige Samaritaan.

Opeens ben ik weer aan het rennen en word met gemak ingehaald door een man nog ouder dan ik. Hij grist een van mijn geloofspapieren uit de lucht en leest het voor: Ik geloof wel dat er iets is, maar ik weet het echt niet zeker. Weet jij het wel, vraagt hij. Kijk daar wil ik nou eens met je over praten. Jij bent toch van de kerk?! Hijgend breng ik uit: maar ik doe ook wel eens aan hardlopen. Nou ja hard lopen, zegt hij; maar zeg eens, die kerk, kun je daar eigenlijk zomaar binnenlopen. Met die dikke deur en die hoge drempel en die rare liedjes. Die hoef ik niet zo, maar ik wil wel eens met je praten en bidden. Ja eigenlijk wil ik bidden, dat doe ik wel eens maar tegen wie eigenlijk. Weet jij dat misschien? Hier, je briefje en tot later!

Opeens schrik ik wakker. Ergens luidt een klok. Het is Pinksteren.

ds Tjalling Huisman




Meditatie maart 2017

De weg van bevrijding

Het thema van de diensten van Maarland en Loppersum tijdens de Stille Week is de weg van bevrijding. Pasen is het feest van bevrijding, maar het is geen bevrijding zonder slag of stoot. En bij dat proces, die weg staan wij stil in de Stille Week. Die weg tekent namelijk de bevrijding.

Het is een weg die Jezus heel wat heeft gekost. In Johannes 12: 27 drukt Hij dat heel scherp uit.

Nu ben ik doodsbang. Wat moet ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben ik juist gekomen.

Hetzelfde vers drukt ook uit dat het geen noodlot was, maar dat het juist de missie van Jezus was om dit offer te brengen. Heel het leven van Jezus stond in het teken van dit offer. Het begon al met de menswording van Jezus, waarin het Woord van God dat bij God was en God was (Johannes 1) mens werd zoals wij. Daarmee begon de afdaling van Jezus. Hij legde de Goddelijke status af om mens te worden en met de mensen mens te zijn. Hij werd zelfs de minste van de mensen. Treffend bracht hijzelf dit in beeld met de voetwassing waarin hij als Heer de voeten van de leerlingen wast. Daarmee bracht hij tegelijkertijd de betekenis van zijn offer in beeld. Hij maakt ons daarmee rein (Johannes 13:10, 15:3) Hij geeft zijn leven opdat wij zouden zien en geloven hoe groot en diep zijn liefde voor ons is. Zo leren wij God kennen als hij werkelijk is. God is liefde. God schenkt ons zijn Geestelijk eeuwig leven om niet, als gift. En dat geestelijke leven, leven in verbinding met God, is het echte leven. Dat leven is eeuwig. Zo bevrijdt God ons van de machten van zonde en dood.

Maar die bevrijding is ook een weg voor ons. Een weg van wedergeboorte: opnieuw geboren worden in het geestelijke leven. Jezus is de weg, de waarheid en het leven voor ons. Dat betekent dat die liefde van God ook in ons leven tot uitdrukking komt zodat wij offers brengen. Offers voor onze medemensen omdat wij bezield zijn door liefde van Jezus. En die offers doen ons pijn, net als Jezus dat liet zien, maar ze bevrijden ons ook omdat het nieuwe leven in Jezus ons in diepere verbinding brengt  met de mensen om ons heen en mensen veraf, ja met de hele schepping. Die weg is nooit af. We beginnen er steeds weer opnieuw aan. Ook deze stille week, wanneer wij de weg van bevrijding gedenken, maar vooral vieren: sterven en opstaan tegelijkertijd.

ds. Marco Roepers