Meditatie september 2018

Waardoor worden we gevoed?

Het is broodnodig dat is een uitdrukking in onze taal waarmee we aangeven dat iets noodzakelijk is. Brood als onmisbare voorwaarde om te leven wordt hier gebruikt als beeld om aan te geven hoe dringend er iets moet komen of gebeuren. En al zijn de tijden veranderd, brood is nog steeds een belangrijk fundament van ons voedingspatroon.

Toch is alleen brood niet genoeg. We hebben ook ander voedsel nodig om te blijven leven. Brood en andere graanproducten vormen slechts een van de groepen van de schijf van vijf. Andere groepen zijn bijvoorbeeld melkproducten en groente en fruit.

Maar ook dat is niet genoeg om te leven. Een mens heeft meer nodig. Denk maar eens aan een woning, werk, vervoer en alles wat daarbij hoort. Zijn daarmee aan alle onmisbare voorwaarden voor een goed menselijk bestaan voldaan?  

U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft;

Dat zegt Jezus in Johannes 6: 27. Een mens kan niet zonder gemeenschap en geestelijke zaken. Liefde bijvoorbeeld is geestelijk en voor een mens onmisbaar. En liefde ontstaat alleen in een menselijke gemeenschap. Een menselijke gemeenschap zonder liefde is onleefbaar.

Maar, zegt Jezus, een mens kan ook niet zonder Gods liefde. Want die liefde geeft een menselijk leven richting en zin. Gods liefde doet ons beseffen dat we niet toevallig bestaan maar dat we gewild zijn. God wil dat we er zijn. En door dat besef ontdekken we dat ons bestaan zin heeft. En Jezus is gekomen om ons die liefde te laten zien.  

Meestal beginnen wij met materiële zaken als noodzakelijk bestaansvoorwaarden om dan later uit te komen bij geestelijke zaken. Ik doe dat ook in dit stuk. Jezus draait het om: Eerst het geestelijke en dan het materiële. Kan dat wel? Een mens moet toch eerst eten? Jezus’ benadering roept de vraag op dat als we materiële zaken zo fundamenteel maken voor ons bestaan of het geestelijke nog wel aan bod komt. Beginnen met het geestelijke doet ons beseffen dat al die materiële dingen giften van God zijn. Ze zijn een teken van Gods liefde en zorg en ons gegeven om die liefde en zorg verder door te geven.

Waardoor worden we gevoed? Dat is de vraag waar we de komende startzondag samen mee bezig gaan. Als gemeenschap door God bij elkaar geroepen gaan we bezig met de geestelijke zaken maar ook het materiële krijgt zijn plek daarbinnen.

Ds. Marco Roepers




Meditatie juli 2018

K L E I N G E L O V I G E

Vooruit dan maar, ik ben hier al tien jaar domie, tijd om uit de kast te komen: ik ben een kleingelovige! Ik hoor u al denken, lezer: we hadden het altijd al gedacht, een publiek geheim was het. Je kon het merken aan zijn preken en zijn pastoraat. Het miste iets van een, van een….nou ja zeg maar een groot geloof. Het bleef altijd een beetje steken in hoop en liefde en twijfel. Of denk u dat niet, denk ik alleen maar dat u dat denkt?

Klein of groot geloof, geloven zie ik voor mij als een weg.
Een weg die je kunt gaan in het spoor van Jezus.
De weg van geloven is niet een weg van zekerheid, geen snelweg naar de hemel.
Alle menselijke emoties duiken er op.
Soms ben je dapper, soms doodsbang.
Er zijn tijden van grote moed in je leven, en tijden van een lafheid waarvoor je je diep schaamt.
Soms ga je vrolijk en onbezorgd voort op ’s Heren wegen.
Maar er zijn ook momenten dat je je voortsleept, gebukt onder zorgen of verdriet.
Ook twijfel en ongeloof dringen zich aan je op.

Velen denken dat er geen twijfel of ongeloof te vinden zijn op de weg van geloven.
Ongeloof zien zij als een afslag, een andere weg die je gaat.
Maar ik denk dat twijfel en ongeloof juist op de geloofsweg te vinden zijn.
Twijfel is niet in tegenstelling met geloof, en ongeloof ook niet.
Onverschilligheid is het, die lijnrecht staat tegenover geloof.
Op de weg van geloven is onverschilligheid een afslag naar een andere weg.
Maar twijfel, twijfel is de zuster van vertrouwen,
ongeloof is de broeder van geloven.

Als de rots Petrus in een verhaal uit Matteüs 14 over het water loopt (volgens mij zo’n verhaal van niet echt gebeurd, maar wel waar – maar ja, u kent mij) en daarna bang wordt en begint te zinken, noemt Jezus hem een kleingelovige. “Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?”

Volgens mij schuilt er in deze vraag geen enkel verwijt. Jezus weet ook wel hoe de sterk de wind kan zijn en hoe diep het water in iemands leven. Twijfel is menselijk.                                                               

Kleingelovige, dat klinkt in mijn oren als een liefkozing, het klinkt als een geuzennaam. Het is toch ook Jezus die tegen zijn leerlingen zegt: als je geloof hebt (zo klein) als een mosterdzaadje, zal je tegen die berg zeggen ‘verplaats je van hier naar daar’ en hij zal zich verplaatsen.

Geloven zie ik voor mij als een weg, een weg die je kunt gaan in het spoor van Jezus.
Het leven onderweg is vaak mooi, maar soms ten hemel schreiend verschrikkelijk.
Het leven is onzeker, de enige zekerheid is de dood.
Alle menselijke emoties duiken er op.
Soms ben je dapper, soms doodsbang.
Angst hoort bij het leven, net als geloof.
Geloven is niet het ontkennen van angst.
Geloven is de moed om, met de angst om het hart, het leven te wagen.
Als kleingelovige, die het uitschreeuwt van angst als hij wegzinkt en het niet meer redt.
In de hoop dat net als bij Petrus, er iemand is die je hand vastpakt.

dominee Tjalling Huisman




Meditatie juni 2018

Wees altijd verheugd

Filippenzen 4: 4-7

4 Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd. 5 Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen. De Heer is nabij. 6 Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt en dank hem in al uw gebeden. 7 Dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, uw hart en gedachten in Christus Jezus bewaren.

Paulus roept ons op altijd verheugd te zijn. Dat is toch onhaalbaar? Want wie is er nu altijd blij? Niemand toch? Er zijn toch altijd perioden die moeilijker zijn. Dat is met het leven gegeven.

Deze tekst had een nicht uitgezocht voor haar begrafenis. De predikant protesteerde: “Deze tekst was niet geschikt voor een begrafenis”. “Inderdaad”, dacht ik: “en helemaal niet in deze situatie waarbij ze slechts 50 mocht worden en een man en drie tieners achterblijven.” Maar ze bleef erbij. Deze tekst was zo belangrijk voor haar.

Toen ik haar voor de laatste keer sprak, hadden wij het er over hoe moeilijk het is om los te laten. Maar zei zij tegen mij: ze geloofde vast dat het beter werd. Inderdaad, dat was wat het geloof ons zegt. Er komt een nieuwe hemel en nieuwe aarde. God bewaart het beste voor het laatst. Voor dat beste zijn wij bestemd.

En dat beste komt al dichtbij als we geloven in Jezus, de opgestane Heer. Zijn opstanding is het eerste begin van dat nieuwe begin. Het geloof brengt ons in contact met die nieuwe realiteit van Jezus. Dat zien we ook terug in die tekst uit Filippenzen. “Vraag God wat u nodig hebt”, zegt Paulus. In deze gebeden komen de noden van onze realiteit met zijn verdriet en moeite aan bod.  Die worden bij de hemel in gebracht. Maar de hemelse realiteit wordt bij ons ingebracht: De vrede van Jezus die alle verstand te boven gaat. Dat is eigenlijk iets wat je mystiek zou kunnen noemen: Dat je even opgenomen wordt in de nieuwe hemelse realiteit van Jezus. In vertrouwen dat hij niet loslaat en altijd bij ons is.

Dat is wat zij mee wilde geven aan degenen die achterbleven. Deze vreugde is een andere vreugde dan de stemming waar we meestal aan denken. Het is een vreugde die je ook kan hebben als je intens verdrietig bent. Omdat je dan het vertrouwen hebt dat Jezus er is en dat hij ervoor zal zorgen dat het goed komt. Dat maakt ons geloof toch wezenlijk een blij geloof. Niet dat het verdriet ontkend wordt,  maar dat het geloof altijd iets van die andere, nieuwe realiteit voelt, die komt.

Ds. Marco Roepers




Meditatie mei 2018

Veelkleurig

Binnenkort vieren wij Pinksteren. En we vieren dat gezamenlijk, met de kerken van het cluster. Dat is en blijft bijzonder, omdat geen ander christelijk feest dan Pinksteren zo mooi is om te vieren met mensen die je misschien niet zo goed kent, maar met wie je toch iets deelt. Want met Pinksteren denken we aan al die verschillende mensen uit verschillende landen en streken die daar verzameld waren in Jeruzalem voor het Joodse oogstfeest, op het moment dat de leerlingen de Heilige Geest ontvingen. Jeruzalem was toen al een knooppunt van landen en culturen. En in Handelingen 2 staat dan over de leerlingen van Jezus:

En allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.

In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde. Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken.

De leerlingen begonnen te branden van blijdschap en enthousiasme en liefde voor God, ze konden zich niet meer stil houden toen de Heilige Geest kwam. Maar het wonderlijkste is: alle mensen die ze hoorden spreken, uit al die verschillende landen, hoorden ze spreken in hun eigen moedertaal!

In de kerk spreken wij vaak ook verschillende ‘talen’. Soms letterlijk. Maar ook figuurlijk spreken we verschillende ‘geloofstalen’. En dat kan maken dat het moeilijk is om elkaar te begrijpen. Om je gezien en gehoord te weten door mensen die anders in hun geloof staan. Je kunt je meer thuis voelen in de vrijzinnige of in de confessionele hoek van de kerk. Maar het kan ook op andere vlakken verschillen. Je kunt erg houden van mooie woorden, of traditionele formuleringen, of juist van een losse sfeer in de kerk. Of je houdt van een mooi lied, maar wat de een mooi vindt, is anders dan waar de ander door aangesproken wordt. Je kunt het belangrijk vinden om je praktisch in te zetten voor je geloof, of je houdt van een mooi boek of een mooie preek die je aan het denken zet. Het geloof kan voor jou iets heel persoonlijks zijn, of je wilt het met iedereen delen.

En dan zijn we vanouds ook nog met hele verschillende mensen in de kerk, uit verschillende ‘lagen’ van de samenleving. Dat was al zo in Handelingen. De kerk was een ratjetoe van mensen. Van slaaf tot weduwe tot legionair. En dat is in deze tijd niet anders.
Al vanaf het begin van de kerk, vanaf Pinksteren, horen al die mensen erbij, met hun eigenheid, hun kleur. Vanaf het begin is de kerk al ‘veelkleurig’.

Dat woord, veelkleurig, moet niet betekenen dat de kerk grijs moet zijn. Dat iedereen bij de deur welkom is, maar dat we vervolgens allemaal op elkaar moeten lijken. Dat we precies hetzelfde moeten geloven, of mooi moeten vinden.

Maar, kun je je afvragen, wat delen we dan wel met elkaar? Wat we delen, is dat we ons door God aangesproken weten. Dat we geloven dat God, in onze eigenheid, in al die verschillende talen, tot de mensen spreekt. Dat vind ik persoonlijk een heel mooi beeld. Het werk van de Heilige Geest is niet in te kaderen. Zoals in het lied ‘Samen in de naam van Jezus’: de Geest doorbreekt de grenzen die door mensen zijn gemaakt. Hij helpt ons om God te zien, te begrijpen, te verstaan in onze eigen (geloofs)taal.

En dan komt de grote uitdaging: dan moeten al die mensen, die door de boodschap van de leerlingen worden aangesproken, toch iets met elkaar! Ze breken het brood met elkaar, vormen een gemeenschap. En dat gaat niet zonder slag of stoot. In het Bijbelboek Handelingen zie je al dat er al snel ruzies komen over dat bepaalde groepen worden voorgetrokken boven andere, en vragen over wie erbij horen en wie niet, en hoe je daar op een goede manier mee om moet gaan. Uiteindelijk wordt dan steeds wel gestreefd om de gemeente, ondanks de verschillen, bij elkaar te houden. En om open te blijven staan voor mensen die van buiten komen.

En ik denk dat juist dat de kerk is, het lichaam van Christus. Een groep mensen die niet ideaal en niet perfect zijn, een groep mensen met verschillende kleuren, die toch samen door God uitgekozen en gebruikt worden om Zijn lichaam te zijn in deze wereld. En dat lichaam vormen we niet omdat we het zo goed met elkaar kunnen vinden. Maar omdat we ons allemaal door diezelfde God aangesproken weten.

Zo’n kerk mogen wij zijn met elkaar. Een kerk waar ieder welkom is, met zijn of haar eigen kleur, eigen geschiedenis, eigen successen en gekwetstheid, voorkeuren  en verliefdheden, uitbundigheid  en verlegenheid. En waar ieder zich daarin door God gekend en aangesproken mag weten.

Misschien geldt in de kerk wel het motto: doe maar gek, dan doe je gewoon genoeg.

ds. Tjalling Huisman en ds. Jake Schimmel




Meditatie april 2018

Het oudste paasevangelie

Wat is het belang van Pasen. Soms krijg je het gevoel dat het vooral gaat om de blijdschap na het verdriet van Goede vrijdag. Toch geeft Pasen echt een reden van blijdschap en die reden is de kern van de boodschap van het Nieuwe Testament.

In de kerkdiensten met Pasen lezen we het paasevangelie doorgaans uit één van de evangeliën. Er is echter in de Bijbel nog een plek waar de opstanding van Jezus verteld wordt. Dat is 1 Korintiërs 15. De brieven van Paulus zijn ouder dan de evangeliën en daarmee is dit hoofdstuk uit de brief aan de Korintiërs de oudste. Het is meer een samenvatting van wat er rond Pasen gebeurd is, maar de bedoeling met deze samenvatting van Paulus heeft ook pointe die vandaag de dag ook nog actueel is. Paulus verbindt  in 1 Korintiërs 15 de opstanding van Jezus rechtstreeks met onze eigen opstanding. Ook hier lezen we het beeld voor de opstanding van de graankorrel die sterft en nog niet het beeld heeft van wat er later zal komen. Paulus onderscheidt twee manieren van bestaan. Die van Adam, volgens Genesis 2:7 maakte God hem tot een levende ziel, en die van Christus, volgens Paulus een levendmakende geest. Adam was stoffelijk, Christus is hemels. Met Pasen vieren we dat deze hemelse mens tevoorschijn komt uit het graf en dat dat een belofte voor ons is. Het geloof in de opstanding laat die belofte al werken. De dood verliest haar grimmigheid in het geloof.

Weten dat we sterven zullen, bepaalt het leven. Veel mensen willen het leven zoveel mogelijk benutten, zoveel mogelijk genieten. Die levenshouding komt veel voor. Maar weten dat we zullen opstaan, kan het leven nu ook bepalen. Dan gaat het niet meer om genieten, maar meer om de liefde van God en voor elkaar waardoor we opstaan. Die andere manier van leven is ook opstaan uit een leven dat door de dood bepaald wordt naar een leven dat door de eeuwigheid wordt bepaald. Dat geloof, dat we in de opgestane Christus onze eigen toekomst zien, is de reden van de blijdschap van Pasen

Ds.Marco Roepers




Meditatie maart 2018

Aan de oever van de rivier

Toen ik een kleine jongen was hoorde je op de radio vaak het liedje ‘Daar bij de waterkant”. De meneer die het zong, Eddy Christiani, herinnerde daarin zijn vrouw eraan dat hij haar voor het eerst bij de waterkant had ontmoet. “Ik vroeg of jij me kussen wou, daar bij de waterkant”, zong hij. Het meisje “kreeg een kleurtje en zei: ‘Nee,  Hoe komt u op ’t idee, u bent beslist abuis!’” Maar Eddy hield vol, en “na verloop van nog geen jaar, werden wij een paar; stonden wij samen op de stoep van het stadhuis!”. Ik wist niet beter of het was een typisch Hollands liedje, over een aardig meisje, op een aardig wijsje.

Pas toen ik wat ouder werd, en Engels leerde, kwam ik er achter dat het lied van oorsprong helemaal niet Nederlands is, maar een Negro Spiritual, ‘Down by the Riverside”. Het begint met “Gonna lay down my burden down by the riverside”, en dan zitten we al midden in de plantages van het Amerikaanse Zuiden. Slaven die worden uitgebuit en mishandeld dromen ervan hun zware last van zich af te leggen, aan de oever van de rivier. Die rivier zou het water kunnen zijn dat het leven van de dood scheidt, of een symbool van Gods majesteit. Maar in ieder geval is het een weg naar de vrijheid: slaven die probeerden te vluchten werden achtervolgd met speurhonden en de enige kans om aan die verscheurende beesten te ontkomen was de rivier ingaan en pas een heel eind verder weer opduiken. In het refrein van het lied belooft de zanger zichzelf dat hij zich niet langer met strijd zal bezig houden, maar rust zal vinden.

Het oorspronkelijke lied heeft dus heel wat meer diepgang dan de Nederlandse vertaling. In handen van een commerciële zanger kun je verwachten dat die hoop, dat verlangen, dat gebed, verloren gaan. In een kerkelijke omgeving zou het lied met meer respect en zorgvuldigheid zijn behandeld.

Dat zou je denken. Maar aan die zorgvuldigheid ontbreekt het nog wel eens als een lied wordt vertaald.

AfbeeldingsresultaatNeem bijvoorbeeld ‘God be with you till we meet again’. De tekst is van Jeremiah E. Rankin, dominee in een kerk in Washington, in 1882. Die kerk was een kerkkoor rijk, en Rankin schreef de woorden bij wijze van afscheidsgroet, die het koor kon zingen als het aan het eind van een repetitie uiteen ging. Het lied leek Afbeeldingsresultaatdaarin een beetje op de zegen aan het eind van een kerkdienst. De prachtige melodie waarop het in de Nederlandse kerken bekend is, werd in 1906 geschreven door de Engelse componist Ralph Vaughan Williams.

In het nieuwe Liedboek vinden we het als nummer 416, in een vertaling van Gert Landman. Het zinnetje  “God be with you till we meet again” wordt in het oorspronkelijke lied vele malen herhaald, en in Landman’s vertaling vinden we even vaak “Ga met God en Hij zal met je zijn”.

Misschien komt het door die vele herhalingen dat ik me bij dat Nederlandstalige lied wat ongemakkelijk ga voelen. “Ga met God en Hij zal met je zijn”— eerst klinkt het als een vrome aansporing, maar wat zegt het nu eigenlijk? Als je erover

 nadenkt is het een dooddoener, twee keer hetzelfde in verschillende bewoordingen. Hoe zou je met God kunnen gaan als Hij niet met je was? Je kunt toch ook niet met Marie gaan wandelen als Marie niet bij je is?

Of wordt ons hier een les gelezen, in de trant van  “Leef Gods wetten na, dan zal hij je steunen?” Dat roept dan bij mij weer nieuwe vragen op. In het Engels wensen de zangers elkaar Gods aanwezigheid zonder voorbehoud en zonder voorwaarden toe. Er klinkt een gevoel van saamhorigheid in: bij het uiteengaan elkaar zegen toewensen, en hopen dat je elkaar straks weer terugziet. Maar de Nederlandse versie doet daaraan geen recht. Misschien kon de vertaler geen precies op de melodie passende tekst bedenken: vond hij “God zij met U tot ons wederzien” te ouderwets? Hoe dan ook, Rankin’s woorden getuigen van persoonlijke betrokkenheid, warmte en hoop; de vertaling geeft ons in plaats daarvan alleen een vroom opgeheven vingertje.

Vroom opgeheven vingertjes, daar hebben wij Nederlanders een handje van. Dat valt me nog meer op bij een ander lied, ook op een mooie melodie, het Franse ‘Dans nos obscurités’ (598 in het Liedboek). Het is een korte tekst ontstaan in de gemeenschap van Taizé en op muziek gezet door Jacques Berthier, die veel religieuze melodieën heeft geschreven. Sommige ervan zijn cantilenes, geschikt om vaak te worden herhaald: ‘Ubi caritas’ en ‘Nada te turbe’ zijn bijvoorbeeld ook van hem. Van zulke vaak herhaalde korte teksten mag je verwachten dat ze diepe waarheden verwoorden.

En in het origineel wordt die verwachting bewaarheid. De tekst staat in het liedboek in het Frans weergegeven: “Dans nos obscurités allume le feu qui ne s’éteint jamais”. Plompweg vertaald betekent dat: ‘Steek in onze duisternissen het vuur aan dat nooit uitgaat’. Het is duidelijk dat er slechts één enkel iemand wordt opgeroepen een vuur aan te steken: het gebruikte woord is ‘allume’, de tweede persoon enkelvoud van het werkwoord. De oproep wordt gedaan door een veelvoud van mensen (‘nos obscurités’). Ze bekennen dat ze zijn gehuld in duisternis, ieder in zijn of haar eigen duisternis, en dat ze vuur en licht nodig hebben. Ze vragen niet zomaar om een vuur dat nooit uitgaat, maar om hèt vuur (‘le feu’). Dat verzoek is onmiskenbaar gericht tot God, die in het Frans met ‘tu’ (gij of jij) wordt aangesproken (niet met de beleefdheidsvorm ‘vous’ zoals Nederlanders misschien zouden verwachten).

Er bestaat een goed zingbare vertaling die deze betekenis zorgvuldig weergeeft:

In onze duisternis
Ontsteek, Heer, het vuur dat nooit meer doven zal

 Maar de samenstellers van het nieuwe Liedboek hebben daar niet voor gekozen.  Voor zangers die het Frans niet machtig zijn hebben ze de volgende vertaling toegevoegd:

Als alles duister is,
ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft.

In deze vertaling is niet duidelijk dat ieder in zijn eigen duisternis zit opgesloten, en ook niet wie daar iets aan moet gaan doen. Het klinkt meer als: ‘Kom op jongens, als het even tegenzit de handen uit de mouwen, een vúúr moet er komen, dat nooit meer uitgaat!’ Weer zo’n vrome aansporing waar je, als je er over nadenkt, niet veel mee kunt. Waar vind je zo’n wonderbaarlijk nooit-uitgaand vuur, en wie gaat het voor ons halen?

Misschien heeft de vertaler het motto van Amnesty International in zijn of haar achterhoofd  gehad: “Het is beter een kaars aan te steken dan het duisternis te vervloeken.” Goede leus, schijnt afkomstig te zijn van een Chinese wijsgeer: maar juist zo’n wijze Chinees kent de mens goed genoeg om te weten dat wij niet beschikken over een vuur dat nooit meer dooft. Een kaars is al heel wat.

Voor een vuur dat nooit meer dooft—voor hèt vuur dat nooit meer dooft—moet je bij God zijn: God zelf is dat vuur, en Hij is tegelijkertijd het licht dat door dat vuur wordt verspreid. Het lied van Taizé is dan ook niet bedoeld als wijze raad aan geloofsgenoten, maar als gebed.

Wat de samenstellers van het nieuwe liedboek ook mag hebben bewogen, ik stel voor dat we ons houden aan de oorspronkelijke bedoeling van dit lied. Als we het in het Nederlands willen zingen, laten we dan een vertaling gebruiken die recht doet aan de aard van het lied als gebed.

Een gebed als een bekentenis van onmacht, en een overgave aan een grotere macht dan wijzelf. Als het afleggen van een zware last aan de oever van een rivier.

Henk Dragstra




Meditatie januari 2018

Het brood des levens

‘Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.’

Brood is een essentiële levensbehoefte. Tijdens lessen economie op het voortgezet onderwijs leerde ik dat het was voorgekomen dat brood duurder werd en dat door die prijsverhoging er meer brood werd verkocht. Normaal gesproken zou er minder van worden verkocht. Hoe duurder, hoe minder mensen ervan kopen. De verklaring was dat brood noodzakelijk is en dat als het duurder werd, mensen minder geld hadden voor luxe voedsel en daardoor meer brood gingen eten. In Johannes 6 geeft Jezus 5000 mensen te eten met slechts vijf broden en twee vissen. Zo’n koning willen de mensen hebben die ervoor zorgt dat er altijd genoeg te eten is.

En dat weigert Jezus, als ze Hem daarvoor zoeken dan hebben ze geen idee wie hij is en wat hij werkelijk te bieden heeft: “u zoekt me niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u brood gegeten hebt en verzadigd bent. U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft.”

Met andere woorden: U gaat voor de bevrediging van behoeften maar wat ik te bieden heb heeft te maken met een andere hogere geestelijke werkelijkheid. Wie werkelijk deel aan mij krijgt, krijgt deel aan de eeuwigheid van God.

Hoe krijgen we dan deel aan Jezus? Door te luisteren naar wat hij zegt en te geloven dat Hij de zoon van God is. Jezus lijkt te zeggen dat het gaat om het geestelijke en dat al het materiële iets is dat ons van onze werkelijke levensbestemming afhoudt. Ligt het dan zo in het Johannesevangelie dat de materiële werkelijkheid niets met God te maken heeft?

En dan zegt Jezus de woorden hierboven. Ik ben het levende brood. Het is een van de uitspraken die beginnen met “Ik ben” en daarin echoot de Godsnaam uit Exodus 3: 14 door: Ik ben die er zal zijn. Hij zegt vervolgens dat Hij levende brood is en dat dat brood zijn lichaam is dat hij geven zal voor het leven van de wereld. Daarvoor heeft hij gesproken over het kauwen van zijn vlees en het drinken van zijn bloed dat eeuwig leven geeft. Ik heb het op de Johannesleeskring samen met anderen gelezen en weer opnieuw gelezen, maar ik denk dat hier verwezen wordt naar wat in de andere evangeliën en in 1 Korintiërs beschreven wordt als de instelling van het avondmaal. Jezus drukt zich heel fysiek uit in termen van kauwen, brood en zijn lichaam worden gelijk gesteld, het gaat ook om het drinken van het bloed van Jezus.

Het moet daarmee te maken hebben. De instelling van het avondmaal komt niet voor in het Johannes evangelie, maar hier vinden wij toch een uitleg wat er gebeurt tijdens de viering. Jezus raakt ons  fysiek aan in de vorm van brood en beker wanneer wij de woorden die Jezus spreekt geloven dat het brood dat wij eten de beker die wij drinken eeuwig leven geeft.

Het feestelijke wordt hier verbonden met het materiële. Het materiële wordt hier opgetild en in een nieuwe werkelijkheid getild. Het avondmaal vieren wij ook altijd in een gemeenschap in een kerk. Het is het grote feest van de verbondenheid omdat Jezus zijn leven geeft aan ons. Wij als kerk kunnen dit vieren en het is Jezus die onze handelingen met zijn woorden een nieuwe dimensie geeft.

Ds. Marco Roepers




Meditatie december 2017

KERST ALS VOORWOORD

Kerst vind ik een geweldig aansprekend feest. Dat komt door de sfeer van huiselijkheid, door de kaarsjes en andere lichtjes. Ik moet altijd denken aan het heel korte gedicht van Hans Andreus:

Het licht doet me van tijd
tot tijd herinneren
aan het licht.

Ik voel tot nu toe mij elk jaar thuis met kerst, en tegelijk meer dan thuis: kerst verwijst mij naar dat wat boven mij uitgaat.

Tegelijk is kerst een feest dat een dubbel gevoel geeft. Want juist tijdens die gezellige dagen komt het snoeihard aan als je het niet zo gezellig hebt. Als je eenzaam bent of – net zo erg – als je je eenzaam voelt in een gezelschap van mensen die het erg gezellig lijken te hebben. De meeste kerstsongs uit de popmuziek gaan dan ook of over de geweldige gezelligheid van kerst of juist over het tegendeel: dat je je niet thuis voelt met kerst.

Ik moet erkennen dat kerst een laatkomertje is op de christelijke feestkalender. Het eerste en belangrijkste feest van ons geloof is Pasen, met daaraan altijd gekoppeld Goede Vrijdag. Kerst kwam pas later op, zeker het idee om kerst te vieren in december. Dat was een mooie manier om de heidense zonnewendefeesten een halt toe te roepen. Jezus is immers de zon van de wereld, hij is het licht. Dus vieren we rond 21 december niet meer de terugkeer van de zon, maar de komst van Jezus.

Kerst is een laat feest, alsof men het in de vroege kerk niet zo belangrijk vond om het te vieren. En inderdaad, als je een vergelijking maakt tussen het lijdensverhaal van Jezus en zijn geboorteverhaal dan ontdek je iets opvallends. De lijdensverhalen in alle vier de evangeliën lijken veel op elkaar. Maar de geboorteverhalen verschillen nogal.

Marcus, het oudste evangelie, heeft helemaal geen geboorteverhaal. Die valt gewoon met de deur in huis en begint met de doop van Jezus met water en met Geest. Johannes, het jongste evangelie, begint met een prachtige filosofische beschouwing: het gaat eerder over de (weder)geboorte van ons als kind van God dan over de geboorte van Jezus.

Alleen Matteus en Lucas hebben een geboorte-verhaal van Jezus opgeschreven. Maar dat doen ze dan weer zo verschillend dat je je afvraagt hoe dat mogelijk is. Matteus schrijft over Jezus’ geboorte in een huis in Bethlehem, daar komen wijzen uit het oosten op bezoek. Lucas schrijft ook over Bethlehem, maar Jezus wordt geboren in een stal. In zijn evangelie komen herders op bezoek. Wat moet je nu denken van die verschillen?

Ik denk dat de evangelisten het geboorteverhaal dat ze opschreven, zagen als een voorwoord bij hun verhaal over Jezus. Ze willen vertellen wie Jezus is, en hoe belangrijk hij is voor ieder mens. Hun geboorteverhaal is niet het belangrijkste onderdeel daarin. Ze gebruiken het vooral om hun lezers mee te nemen naar wie Jezus is en wat hij met je doet. Voor hen is Jezus zeker het licht dat schijnt in de wereld, het licht waaraan je je eigen licht kunt ontsteken.

Kerst is het feest van het licht van God, dat schijnt  in onze wereld. Dat is niet het licht van hoe ik mij behaaglijk thuis voel met kerst. Maar het licht dat mij doet herinneren aan hoe ik een ander een thuis kan geven.

Ds. Tjalling Huisman




Meditatie november 2017

Nu laat G’ uw knecht in vrede gaan

Nu laat G’ uw knecht in vrede gaan
naar uw wille.
Mijn hart heeft deze troost verstaan
zacht en stille,
want God heeft mij beloofd:
De dood zal als een slaap zijn.

Dit is het eerste vers van het lied “Mit Fried und Freud fahr ich dahin” van Maarten Luther in de vertaling van prof. J.P. Boendermaker. Het is Luthers versie van de lofzang van Simeon. Simeon wordt in Lucas 2 door de Geest naar de tempel toe gedreven. Hij had een Godsspraak ontvangen dat hij de Messias zou zien voordat hij zou sterven en dat woord gaat in vervulling als hij het kindje Jezus ziet met zijn ouders. Hij neemt het kind in de hand en dan volgt de lofzang van Simeon. Dat lied werd sinds de zevende of achtste eeuw dagelijks gezongen, dus niet alleen in de periode van kerst.

Luther kende het lied en was er aan gehecht. In zijn versie van het lied wordt duidelijk waarom het belangrijk voor hem is. Het gaat ook over de troost die het geloof biedt. Het geeft uitzicht over de dood heen naar het eeuwig leven dat God beloofd heeft. In een preek over het loflied van Simeon schrijft Luther dat Simeon het rijk van dit kind zag en alle wonderwerken en daden die dit kind zou verrichten en dat allemaal onbegrijpelijk en ongelofelijk was. Dat was volgens Luther de ware aard van het geloof dat je daar tegen alle begrip en verstand in op vertrouwt. Zo ziet het verstand en de natuur ook het eeuwig leven niet en toch vertrouwt de gelovige daarop op grond van Gods barmhartigheid. Dat is ook de boodschap van het lied en daarmee vol troost.

Dat is de troost die we op de laatste zondag van het kerkelijk jaar nodig hebben wanneer wij de namen noemen van hen die ons ontvallen zijn. Zij zijn niet aan de dood overgegeven, maar zijn aan God toevertrouwd die ons het eeuwig leven belooft.

Dat vertrouwen op Gods belofte dat zo centraal staat in dit lied, speelt ook een belangrijke rol in de periode die daarop volgt op de laatste zondag van het kerkelijk jaar, namelijk advent. In deze periode zien wij uit in vertrouwen op de komst van God die ons zal verlossen van nood en dood.

In het kind Jezus ligt de vervulling van deze belofte al besloten, zo zegt Luther Simeon na. En zo gaat dit lied ook over kerstfeest en de blijdschap en licht die daarbij horen. Het slotvers maakt dat heel duidelijk als het gaat over licht, herderschap en vreugde.

Hij is het klaar en eeuwig licht
voor de heiden
zij vinden voor zijn aangezicht de goede weiden
Hij is uw volk Israël
tot eer en prijs en vreugde

De melodie en het ritme van het lied zijn niet zo geschikt voor gemeentezang. Ze versterken de boodschap van de tekst, maar het vereist wel oefening. Dat zal wel de reden zijn dat het niet in het liedboek is opgenomen. Toch is het een heel troostrijk lied en een waardevol onderdeel van de erfenis van de reformator.

Ds. Marco Roepers




Meditatie oktober 2017

MAALTIJD VAN DE HEER

Het vieren van het avondmaal heeft mij nooit veel gedaan. Ik vond het maar een wereldvreemde vertoning, tot die zondag in mijn nieuwe kerk in Amsterdam. In een kring staan we, voorin de kerk. Om mij heen zie ik een aantal al bekende gezichten, en een behoorlijke groep mensen van de straat: verslaafd, dakloos, illegaal. Het zit me niet lekker naast zo iemand te staan. Maar bijna op hetzelfde moment dat ik mijn tegenzin bespeur, word ik overvallen door een gevoel van verbondenheid. Opeens krijgen dat stukje brood en het slokje wijn zin, opeens ervaar ik iets van Jezus in het delen met al die mensen in de kring.

Een mooie naam voor avondmaal vind ik het: Maaltijd van de Heer. De Heer is Jezus. Het is niet de maaltijd van de kerk of de maaltijd van domie. Nee, er is er maar één gastheer.

Natuurlijk doet deze maaltijd denken aan de laatste maaltijd van Jezus met zijn leerlingen. Maar ik moet ook altijd denken aan andere verhalen over Jezus die eet met mensen. Dat hij eet met die rotzak Zacheus, die zich dan bekeert. Dat hij eet bij een Farizeeër thuis en dan komt er een vrouw die in de stad bekend staat als zondares: Jezus’ voeten worden nat door haar tranen, zij droogt die met haar haren, ze kust ze en wrijft ze in met olie. Haar zonden worden haar door Jezus vergeven, want ze heeft veel liefde betoond. De Farizeeërs en de Schriftgeleerden mopperen: die man ontvangt zondaars en eet met hen!

Deze verhalen maken mij altijd bedachtzaam als ik de nodiging voor het delen van brood en druivensap uitspreek. Officieel kan alleen wie gedoopt is, deelnemen aan de Maaltijd van de Heer. Dat is de regel in onze kerk, en in de meeste kerken. Maar de verhalen over Jezus die eet met de mensen, zijn veel ruimhartiger. Dat brengt mij er toe om altijd ruimer uit te nodigen voor het avondmaal.

In de eerste Korintiërsbrief (11: 23 – 26) vind je het oudste bericht over de viering van het avondmaal. Uit het stuk kan je opmaken dat de eerste christelijke gemeente altijd brood en beker deelde als men samenkwam. Paulus schrijft:

Want wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf. In de nacht waarin de Heer Jezus werd uitgeleverd nam hij een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood en zei: ‘Dit is mijn lichaam voor jullie. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en hij zei: ‘Deze beker is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. Doe dit, telkens als jullie hieuit drinken, om mij te gedenken.’ Dus altijd wanneer u dit brood eet en uit de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat hij komt.

Het avondmaal is geen geschiedenisles, het is geen gebeuren uit het verleden dat we in herinnering roepen door er een toneelstukje van te maken. Natuurlijk herinnert het aan Jezus, maar het gaat over hier en nu. En het wijst vooruit naar de komst van Jezus, naar een wereld waarin er goed leven is voor iedereen.

Brood en beker, mijn lichaam en mijn bloed. Dat betekent dat met het brood en de beker, Jezus zelf aanwezig is. Zijn aanwezigheid kun je op vele manieren uitleggen en beschrijven. Maar één van de manieren waarop hij aanwezig is, is zeker dat je hem tegen kunt komen in de ander met wie je brood en beker deelt.

 

Voordat brood en beker rondgaan, wordt altijd het Onze Vader gebeden. Niet voor niets, het is het gebed van Jezus. Ik vind het een mooie gewoonte om elkaar daarbij een hand te geven. Dat betekent niet dat we elkaars vriend zijn. Nee, het kan zelfs betekenen dat je je vijand de hand geeft. De verslaafde naast wie ik ooit in de kerk van Amsterdam stond, kon mij net zo goed tijdens de koffie na de dienst bestelen; hij had nu eenmaal geld nodig voor zijn verslaving, de rotzak. Maar dat hand geven wijst vooruit, naar een wereld waarin we niet meer elkaars rotzak zijn.

 

Het gaat tijdens de Maaltijd van de Heer om de dood en het leven van Jezus. In leven en dood heeft hij zich aan ons en onze wereld verbonden. Volgens mij kun je daaraan zien wie God is: degene die op leven en dood met ons en onze wereld verbonden is. Vaak zie je daar niets van. Daarom vind ik het mooi als  – voordat brood en beker rondgaan – er voorbeden worden uitgesproken. Daarmee wordt de kring groter gemaakt: ook wie er niet is, wordt uitgenodigd mee te delen.

 

De vredegroet is voor mij een onmisbaar deel van de Maaltijd van de Heer. Je wenst mensen om je heen vrede, niet omdat je altijd vrede met hem of haar hebt. Het gaat om de vrede van Jezus of de vrede van Christus. Dat is iets dat boven onze positieve of negatieve gevoelens uit gaat, het is sterker dan onze slechte of goede bedoelingen. Het is meer dan wij ons kunnen voorstellen, meer dan wij kunnen bevatten. Maar we mogen er wel deel aan nemen.

Daarom vind ik de mooiste vorm om de Maaltijd van de Heer te vieren, de kring: je ziet elkaar staan, het zijn niet allemaal vriendinnen en vrienden in de kring. Maar je kunt beseffen dat in Christus, in Jezus er samenhang is: zin ondanks alle zinloosheid, vergeving ondanks boosheid en wrok, toekomst ondanks alle uitzichtloosheid.

ds Tjalling Huisman