Categorie archief: Meditatie

Meditatie oktober 2017

MAALTIJD VAN DE HEER

Het vieren van het avondmaal heeft mij nooit veel gedaan. Ik vond het maar een wereldvreemde vertoning, tot die zondag in mijn nieuwe kerk in Amsterdam. In een kring staan we, voorin de kerk. Om mij heen zie ik een aantal al bekende gezichten, en een behoorlijke groep mensen van de straat: verslaafd, dakloos, illegaal. Het zit me niet lekker naast zo iemand te staan. Maar bijna op hetzelfde moment dat ik mijn tegenzin bespeur, word ik overvallen door een gevoel van verbondenheid. Opeens krijgen dat stukje brood en het slokje wijn zin, opeens ervaar ik iets van Jezus in het delen met al die mensen in de kring.

Een mooie naam voor avondmaal vind ik het: Maaltijd van de Heer. De Heer is Jezus. Het is niet de maaltijd van de kerk of de maaltijd van domie. Nee, er is er maar één gastheer.

Natuurlijk doet deze maaltijd denken aan de laatste maaltijd van Jezus met zijn leerlingen. Maar ik moet ook altijd denken aan andere verhalen over Jezus die eet met mensen. Dat hij eet met die rotzak Zacheus, die zich dan bekeert. Dat hij eet bij een Farizeeër thuis en dan komt er een vrouw die in de stad bekend staat als zondares: Jezus’ voeten worden nat door haar tranen, zij droogt die met haar haren, ze kust ze en wrijft ze in met olie. Haar zonden worden haar door Jezus vergeven, want ze heeft veel liefde betoond. De Farizeeërs en de Schriftgeleerden mopperen: die man ontvangt zondaars en eet met hen!

Deze verhalen maken mij altijd bedachtzaam als ik de nodiging voor het delen van brood en druivensap uitspreek. Officieel kan alleen wie gedoopt is, deelnemen aan de Maaltijd van de Heer. Dat is de regel in onze kerk, en in de meeste kerken. Maar de verhalen over Jezus die eet met de mensen, zijn veel ruimhartiger. Dat brengt mij er toe om altijd ruimer uit te nodigen voor het avondmaal.

In de eerste Korintiërsbrief (11: 23 – 26) vind je het oudste bericht over de viering van het avondmaal. Uit het stuk kan je opmaken dat de eerste christelijke gemeente altijd brood en beker deelde als men samenkwam. Paulus schrijft:

Want wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf. In de nacht waarin de Heer Jezus werd uitgeleverd nam hij een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood en zei: ‘Dit is mijn lichaam voor jullie. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en hij zei: ‘Deze beker is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. Doe dit, telkens als jullie hieuit drinken, om mij te gedenken.’ Dus altijd wanneer u dit brood eet en uit de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat hij komt.

Het avondmaal is geen geschiedenisles, het is geen gebeuren uit het verleden dat we in herinnering roepen door er een toneelstukje van te maken. Natuurlijk herinnert het aan Jezus, maar het gaat over hier en nu. En het wijst vooruit naar de komst van Jezus, naar een wereld waarin er goed leven is voor iedereen.

Brood en beker, mijn lichaam en mijn bloed. Dat betekent dat met het brood en de beker, Jezus zelf aanwezig is. Zijn aanwezigheid kun je op vele manieren uitleggen en beschrijven. Maar één van de manieren waarop hij aanwezig is, is zeker dat je hem tegen kunt komen in de ander met wie je brood en beker deelt.

 

Voordat brood en beker rondgaan, wordt altijd het Onze Vader gebeden. Niet voor niets, het is het gebed van Jezus. Ik vind het een mooie gewoonte om elkaar daarbij een hand te geven. Dat betekent niet dat we elkaars vriend zijn. Nee, het kan zelfs betekenen dat je je vijand de hand geeft. De verslaafde naast wie ik ooit in de kerk van Amsterdam stond, kon mij net zo goed tijdens de koffie na de dienst bestelen; hij had nu eenmaal geld nodig voor zijn verslaving, de rotzak. Maar dat hand geven wijst vooruit, naar een wereld waarin we niet meer elkaars rotzak zijn.

 

Het gaat tijdens de Maaltijd van de Heer om de dood en het leven van Jezus. In leven en dood heeft hij zich aan ons en onze wereld verbonden. Volgens mij kun je daaraan zien wie God is: degene die op leven en dood met ons en onze wereld verbonden is. Vaak zie je daar niets van. Daarom vind ik het mooi als  – voordat brood en beker rondgaan – er voorbeden worden uitgesproken. Daarmee wordt de kring groter gemaakt: ook wie er niet is, wordt uitgenodigd mee te delen.

 

De vredegroet is voor mij een onmisbaar deel van de Maaltijd van de Heer. Je wenst mensen om je heen vrede, niet omdat je altijd vrede met hem of haar hebt. Het gaat om de vrede van Jezus of de vrede van Christus. Dat is iets dat boven onze positieve of negatieve gevoelens uit gaat, het is sterker dan onze slechte of goede bedoelingen. Het is meer dan wij ons kunnen voorstellen, meer dan wij kunnen bevatten. Maar we mogen er wel deel aan nemen.

Daarom vind ik de mooiste vorm om de Maaltijd van de Heer te vieren, de kring: je ziet elkaar staan, het zijn niet allemaal vriendinnen en vrienden in de kring. Maar je kunt beseffen dat in Christus, in Jezus er samenhang is: zin ondanks alle zinloosheid, vergeving ondanks boosheid en wrok, toekomst ondanks alle uitzichtloosheid.

ds Tjalling Huisman

Een open huis

Een open huis is het thema van de startzondag op 17 september. We gaan na de  de kerkdienst in de Vredekerk in groepen bij gemeenteleden op bezoek. Mooi en bijzonder dat mensen ons willen ontvangen. Ik moest bij de voorbereiding denken aan een bijbeltekst: Hebreeën 13:2

Vergeet de gastvrijheid niet, want hierdoor hebben sommigen zonder het te weten engelen onderdak geboden.

Wie was dat, die door gastvrij te zijn, engelen ontvangen heeft? Ik moest denken aan Genesis 18, waar Abraham, zittend onder de eiken in Mamre opschrikt als hij drie mannen ziet. Hij loopt hen tegemoet en nodigt hen vriendelijk uit, bij hem te verblijven. Hij biedt hen verzorging en een uitgebreide maaltijd aan. Uit de belofte die de mannen doen dat Abraham en Saraï een zoon zullen krijgen blijkt dat de mannen God of engelen zijn. En Abraham wist het niet toen hij hen uitnodigde.

Ik las dat de gastvrijheid van Abraham heel gebruikelijk was in het oude oosten. Is dat zo? Is de gastvrijheid die Abraham hier ten toon spreidt ook niet voor het Oude Oosten heel vergaand? Het waren immers onbekenden voor hem? Sterker nog, even verderop in Genesis lezen we hoe vijandig de mensen in Sodom tegenover vreemdelingen stonden. Zo uitzonderlijk ongastvrij Sodom is, zo uitzonderlijk gastvrij is Abraham. Ik denk dat gastvrijheid belangrijk is in het Oude Oosten, maar nooit vanzelfsprekend. In Genesis is Abraham een voorbeeld van gastvrijheid. Een heel groot voorbeeld, waar de mensen in het Oude Oosten niet aan konden tippen en wij waarschijnlijk nog minder.

Vandaar ook die aansporing in de Hebreeënbrief. Abraham wordt niet genoemd en toch is hij hier een voorbeeld. Deze twee teksten zijn lang niet de enige plaatsen waar gastvrijheid belangrijk gevonden wordt. Een van de motieven kunnen wij bij Abraham vinden. Abraham zelf was vreemdeling in een vreemd land. Hij woont in het land dat zijn nakomelingen beloofd is, maar hijzelf woont er als een vreemdeling. Met die vreemdelingen die hij zag staan had hij een een lotsverbondenheid. Het vreemdeling zijn. Vreemdelingen zijn aangewezen op gastvrijheid. Ze hebben geen rechten, maar leven van de gunsten. Dat besef maakt een mens open. Open voor de mensen op zijn weg en open voor God. Een mens kan in het gastvrij ontvangen van anderen God ontmoeten, zonder het te weten. Dat is de suggestie die Hebreeën doet. Abraham ontvangt in zijn tent God die hem het land belooft. De werkelijke eigenaar van Kanaän. Dat geldt ook voor ons. God is de gever van alles, hij biedt ons alles aan, om te wonen, te eten en te leven. In feite is God de gastheer van ons hele bestaan.

Zo zijn wij op de startzondag ook welkom bij gemeenteleden en die tonen iets van hun leven. Maken we kennis met de plek waar zij geborgenheid ervaren, de plek waar zij leven, in de meest directe kring van hun leven. Zijn wij daar even te gast, maar gastvrijheid is nooit vanzelfsprekend. Het is juist die openheid die ons met elkaar verbindt. Daar leren wij elkaar beter kennen en groeit de gemeenschap. En daar waar verbondenheid tussen mensen groter wordt, daar is God aanwezig.

Ds. Marco Roepers

Meditatie juli 2017

K E R K J E  S P E L E N

Het zat er al jong in: toen ik een kind was speelde ik kerkje. Het was een ongevaarlijk spel. Een stuk ongevaarlijker dan het voetballen, dat ik daarna ontdekte. Spelen wij als gemeente  elke zondag en soms door de week  ook kerkje, een ongevaarlijk gezelschapsspel voor liefhebbers? Wat is kerk zijn, wat is de kern van kerk zijn?

Is het de dominee?
Nee, het is niet de dominee. Hoewel de dominee zichzelf soms erg belangrijk vindt, hij of zij is slechts voorbijganger. Hoewel veel mensen afrekenen met de kerk, omdat dominee zus of dominee zo toen dit of dat heeft gedaan en toen zijn zij afgehaakt. Zonde, want zo laten zij zich de kerk afnemen en staan ze voortaan wat passief aan de kant.

Is het het gebouw?
Nee, het is niet het gebouw. Hoewel het je wel veel kan doen, als je in een gebouw kerkt waar de wolk gebeden van jaren en jaren hangt. Voor veel mensen buiten de kerk valt de kerk wel samen met het gebouw. Ze zien zo’n prachtig en oud gebouw staan en daaraan koppelen ze de gedachte: de kerk is machtig, de kerk moet wel rijk en groot zijn.

Is het de liturgie?
Nee, het is niet de liturgie. Hoewel het in de beleving van je geloof een grote rol kan spelen. De één houdt nu eenmaal meer van handjes in de lucht & voetjes van de vloer, een ander zoekt stilte en inkeer. Maar de kerk is niet een vereniging tot bevordering van de juiste liturgie.

Is het de clubgeest?
Nee, het is niet de clubgeest. Hoewel de kerk een groep van gelijkgestemden is, is er geen sprake van een clubgeest. Een club of een vereniging doet aan klaverjassen, voetballen of gedichten lezen. De clubgeest bindt je aan de club. In de kerk is er een Geest die je steeds weer wegstuurt, de kerk uit. En niet met als doel om zoveel mogelijk leden voor de club te werven (toegegeven, er zijn nogal wat kerken die dat niet begrijpen; blijkbaar zien zij hun kerk als club, die zij groter willen maken).

Het is de liefde van Christus.
Ja, het is de liefde van Christus. Dat is de kern van kerk zijn, dat is de stemming die in de kerk moet hangen. Liefde is gemakkelijk voor wie je wel aardig vindt, maar liefde geldt ook voor wie je niet aardig vindt: voor de eigenaardigen, voor degene aan wie je een hekel hebt en noem maar op. Liefde is dan ook niet lief zijn voor elkaar, liefde is de ander – ondanks alles  kunnen zien in de liefde van Christus.

Kerkje spelen?
Nee, de kerk is geen club. De kerk is een samenraapsel van mensen, geraakt door de liefde van Christus. De kerk is een zootje gewone mensen, die er op uit gestuurd wordt met die liefde. Liefhebbers zijn ze, maar niet van een ongevaarlijk gezelschapsspel.

ds Tjalling Huisman

Meditatie juni 2017

Nu bidden wij de Heilige Geest

Dit jaar 2017 is een jubileumjaar voor de reformatie. Op 31 oktober 1517 sloeg Maarten Luther zoals zijn vriend Philip Melanchton na zijn dood vermeldde de 95 stellingen aan de deur van de slotkapel in Wittenberg. Dat zal dit jaar 500 jaar geleden zijn. De reformatie is daarmee sterk verbonden geraakt met de theologie van Maarten Luther die de rechtvaardiging door het geloof centraal stelde.

Een van de plekken waar we teksten van Luther kunnen tegenkomen is het Liedboek. Het oude liedboek, maar zeker ook het nieuwe liedboek bevat liederen die door Maarten Luther zelf geschreven zijn. Luther vond zingen een belangrijk onderdeel van geloven. Hij vond dat de gemeente zelf moest gaan zingen tijdens de dienst en niet slechts de geestelijkheid of een koor. Voor deze vernieuwing, namelijk gemeentezang als een belangrijk onderdeel van de liturgie, schreef hij liederen. Ze zijn vaak geïnspireerd op psalmen of oude liturgische hymnen, die door Luther geschikt gemaakt werden om door de hele gemeente gezongen te worden. Zo werd de hele gemeente de woorden in de mond gelegd. In deze liederen drukt  de gemeente zelf het geloof uit. De woorden worden vertrouwd doordat ze gezongen worden en geven ieder betrokkene meer inzicht in het geloof.

Een van de liederen van Luther die ikzelf heb opgegeven de laatste tijd is ´Nu bidden wij de Heilige Geest.´ Dat is Lied of gezang 671.

Het eerste vers gaat als volgt:
Nu bidden wij de Heilige Geest
om een recht geloof het allermeest,
dat Hij ons verblijde en ons bevrijde
en aan ’t einde ons naar huis geleide.
Kyrieleis.

Het is een gebed om de Heilige Geest. Luther en in zijn kielzog de Lutherse traditie is wel eens verweten hier weinig aandacht voor te hebben. Maar in dit lied staat het centraal. Natuurlijk is het een bewerking van een oude Middeleeuwse hymne, maar Luther heeft toch gemeend dat het lied met de Heilige Geest als centraal thema een plaats moest hebben in het leven van de gelovigen en de gemeente.

Het geloof is namelijk een geschenk van God. Wij geloven omdat God ons dat geloof geschonken heeft. Wij vinden geloven soms zo moeilijk omdat wij het niet kunnen begrijpen of het in overeenstemming kunnen brengen met allerlei wetenschappelijke inzichten, of omdat we het niet zo precies voelen. Maar bij Luther is het gewoon een gift van God en niet iets dat wijzelf tot stand moeten brengen. Persoonlijk vind ik dat heel bevrijdend. Ik geloof en niet omdat ik mijzelf daartoe heb opgewerkt maar gewoon omdat ik het krijg. Ik hoef het ook niet alleen allemaal  te begrijpen en met allerlei wetenschappelijke en maatschappelijke opvattingen in overeenstemming te brengen. Ik geloof, hoe ongerijmd dat ook is. En het is de Heilige Geest die mij dat schenkt. “Wat is de Heilige Geest? Hoe moeten we ons dat voorstellen?” Dat moeten we helemaal niet, we krijgen het geloof van de Heilige Geest. Het is Gods “Ja” voor ons. Het is iets dat blij maakt en vrolijk. Het is alleen de Heilige Geest waardoor Jezus voor ons een realiteit wordt. Zo staat in het tweede couplet. We lezen over Hem in de Bijbel en daar lezen we oude Woorden, maar de Heilige Geest maakt Jezus tot een realiteit waarmee wij in verbinding staan. Hij is er gewoon en hij houdt van ons. Geen figuur uit een boek, maar een levende gestalte.

En dat geloof verbindt ons met elkaar. In die realiteit aanvaarden wij elkaar. Zo zegt Luther in het derde couplet. En dat gebeurt net zoals in  de eerste twee als een bede. En in die bede ontvangen we het. Juist door erom te bidden ontvangen we de realiteit van de Geest waarin Christus leeft.

Toch is er ook twijfel. Altijd is er twijfel. De ergste is die aan onszelf. Horen wij er wel bij? Geloven wij wel echt? Leven wij het geloof op de manier zoals zou moeten? Veroordeelt God  ons niet? Dat is een stem die Luther zelf ook veel heeft gehoord. Maar het is de stem van God niet. Het is de stem van de tegenstander. God zegt “Ja” en in het derde vers bidt Luther of dat “Ja” van God ook mag zegevieren in ons hart, tegen alle verstikkende twijfel in.

Ds. Marco Roepers

Meditatie mei 2017

Pinksteren

Ik zit aan mijn bureau. Voor mij ligt een stapel met blaadjes, volgeschreven met overtuiginkjes en ideeën. Stuk voor stuk preekjes in de dop. Mijn geloofspapieren. Opeens gaat het raam open, opeens vliegt de deur open. Een golf warme wind waait door de kamer, wervelt om mij heen en blaast al mijn blaadjes de lucht in. Daar gaan ze, ze fladderen op de stroom van de wind door open deur en open raam heen naar buiten. En ik, ik ren er achter aan: mijn geloofspapieren, roep ik uit.

In mijn blinde haast bots ik tegen iemand aan, een jongen met een baardje. Hij heeft een papiertje in zijn hand. Hier staat Jezus op, zegt hij, dat is een coole gast man, sick! Jij bent toch van de kerk?! Ach, zeg ik, ik kom ook wel eens op het voetbalveld. Nee man, jij bent van de kerk! Jullie zouden iets met die Jezus moeten gaan doen, dat is echt iets voor jullie! Dan kom ik ook eens langs.

Ik ren verder achter mijn geloofspapieren aan. Zingeving, roept iemand naar mij, vanaf de overkant van de straat. Ze heeft een briefje in de hand en staat er mee te zwaaien: zingeving! Daar zou ik wel eens iets van willen weten, zou je daar met mij over willen praten? Alles heb ik, maar ik mis iets. Wil je samen met mij zoeken? Ik zie dat jij ook op zoek bent, ik zie het aan je ogen. Jij bent toch van de kerk? Ach, zeg ik, maar ik kom ook wel eens in de kroeg. Maak niet uit waar, zegt ze.

Dan zie ik weer een papiertje voorbij komen. Ik ren er achter aan, struikel en val hard op mijn gezicht. Een grote tong likt over mijn wang. Gaat het, mister? Ik kijk op in de bloeddoorlopen ogen van een vechthond, aan de lijn van zijn even afschrikwekkende baas. Gaat het mister? vraagt hij. Ik ken jou wel, jij bent van de kerk. Dat is niets voor mij, niets voor mijn soort mensen. Oké hoor, dat er een kerk is. Want als ik dood ben, wil jij dan mijn begrafenis doen? Als je mij maar niet de hemel in prijst! Een harde, droge lacht komt uit zijn mond. Hij pakt mij onder mijn armen, zet mij overeind en met een zakdoekje maakt hij mijn gezicht schoon. Hier, je papiertje, zegt hij. Ik kijk wat er op staat: Barmhartige Samaritaan.

Opeens ben ik weer aan het rennen en word met gemak ingehaald door een man nog ouder dan ik. Hij grist een van mijn geloofspapieren uit de lucht en leest het voor: Ik geloof wel dat er iets is, maar ik weet het echt niet zeker. Weet jij het wel, vraagt hij. Kijk daar wil ik nou eens met je over praten. Jij bent toch van de kerk?! Hijgend breng ik uit: maar ik doe ook wel eens aan hardlopen. Nou ja hard lopen, zegt hij; maar zeg eens, die kerk, kun je daar eigenlijk zomaar binnenlopen. Met die dikke deur en die hoge drempel en die rare liedjes. Die hoef ik niet zo, maar ik wil wel eens met je praten en bidden. Ja eigenlijk wil ik bidden, dat doe ik wel eens maar tegen wie eigenlijk. Weet jij dat misschien? Hier, je briefje en tot later!

Opeens schrik ik wakker. Ergens luidt een klok. Het is Pinksteren.

ds Tjalling Huisman

Meditatie maart 2017

De weg van bevrijding

Het thema van de diensten van Maarland en Loppersum tijdens de Stille Week is de weg van bevrijding. Pasen is het feest van bevrijding, maar het is geen bevrijding zonder slag of stoot. En bij dat proces, die weg staan wij stil in de Stille Week. Die weg tekent namelijk de bevrijding.

Het is een weg die Jezus heel wat heeft gekost. In Johannes 12: 27 drukt Hij dat heel scherp uit.

Nu ben ik doodsbang. Wat moet ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben ik juist gekomen.

Hetzelfde vers drukt ook uit dat het geen noodlot was, maar dat het juist de missie van Jezus was om dit offer te brengen. Heel het leven van Jezus stond in het teken van dit offer. Het begon al met de menswording van Jezus, waarin het Woord van God dat bij God was en God was (Johannes 1) mens werd zoals wij. Daarmee begon de afdaling van Jezus. Hij legde de Goddelijke status af om mens te worden en met de mensen mens te zijn. Hij werd zelfs de minste van de mensen. Treffend bracht hijzelf dit in beeld met de voetwassing waarin hij als Heer de voeten van de leerlingen wast. Daarmee bracht hij tegelijkertijd de betekenis van zijn offer in beeld. Hij maakt ons daarmee rein (Johannes 13:10, 15:3) Hij geeft zijn leven opdat wij zouden zien en geloven hoe groot en diep zijn liefde voor ons is. Zo leren wij God kennen als hij werkelijk is. God is liefde. God schenkt ons zijn Geestelijk eeuwig leven om niet, als gift. En dat geestelijke leven, leven in verbinding met God, is het echte leven. Dat leven is eeuwig. Zo bevrijdt God ons van de machten van zonde en dood.

Maar die bevrijding is ook een weg voor ons. Een weg van wedergeboorte: opnieuw geboren worden in het geestelijke leven. Jezus is de weg, de waarheid en het leven voor ons. Dat betekent dat die liefde van God ook in ons leven tot uitdrukking komt zodat wij offers brengen. Offers voor onze medemensen omdat wij bezield zijn door liefde van Jezus. En die offers doen ons pijn, net als Jezus dat liet zien, maar ze bevrijden ons ook omdat het nieuwe leven in Jezus ons in diepere verbinding brengt  met de mensen om ons heen en mensen veraf, ja met de hele schepping. Die weg is nooit af. We beginnen er steeds weer opnieuw aan. Ook deze stille week, wanneer wij de weg van bevrijding gedenken, maar vooral vieren: sterven en opstaan tegelijkertijd.

ds. Marco Roepers

Meditatie februari 2017

EEN GEESTELIJKE WEG
meditatie voor de veertigdagentijd

Dit artikel gaat over de zaligsprekingen, ze zijn te lezen in de Bijbel in Matteus 5. Je kunt ze zien als uitspraken over andere mensen, mensen over wie wordt gezegd dat zij zalig zijn. Maar je kunt de zaligsprekingen ook lezen als een uitnodiging om zelf zalig te worden. Een uitnodiging om een spirituele of geestelijke weg te gaan door je leven vorm te geven in het licht van de zaligsprekingen. Een geestelijke weg is altijd een weg van vallen en opstaan en weer verder gaan. Een geestelijke weg is ook altijd een weg die naar binnen leidt, naar je innerlijk, om je drijfveren te onderzoeken en om je ziel te zuiveren. Maar het is ook een weg die je naar buiten leidt, om het goede te doen in de wereld.

De zaligsprekingen als geestelijke weg: Zalig wie nederig van hart zijn, voor hen is het Koninkrijk van de hemel. Het woord nederig wil ik niet opvatten als volgzaam of slaafs. In het Latijn is het humilitas, waar humus /aarde in zit. Je bent mens, verbonden met de aarde. Niet minder dan dat maar ook niet meer dan dat. Je hoeft je niet verheven te voelen boven anderen, je hoeft je ook niet minder te voelen. Besef dat je een mens bent, gemaakt van aarde. Juist voor die aardse mens is het koninkrijk van de hemel. Ik denk dat hier niet bedoeld wordt: die mens zal wel in de hemel komen. Maar eerder: die mens leeft volgens Gods bedoeling, die beseft hoe aards hij is.

En als mens, leef als mens! Treur om het verlies van een geliefde, treur om de wereld als er iets ergs gebeurt, treur als het leven hard is.

Zalig de treurenden, zij zullen getroost worden. Leef er niet overheen, alsof er niets aan de hand is Maar sta stil bij je verdriet. De troost die Jezus belooft aan de treurenden, is troost hier op aarde. Maar tegelijk strekt zijn belofte zich verder uit: zij zullen getroost worden.

Zalig wie zuiver van hart zijn, zij zullen God zien. Zuiver van hart, ik denk dat je dan geen dubbele bedoelingen hebt – geen dubbele bodem. Maar dat je uit één stuk bent. Dat is niemand – vermoed ik – helemaal. Het is een voortdurend proces van je inkeren in jezelf om je bewust te worden van dubbelheid. Om zuiver van hart te worden, dat is een levenslang proces. En dan soms: God zien, even.

Zalig de zachtmoedigen, zij zullen het land bezitten. Er staat niet dat zij het land zullen bezetten. De zachtmoedigen bezetten geen land, zij nemen niet de ruimte in die van een ander is. Zij weten dat er grenzen zijn. Tegelijk laten zij niet over hun eigen grenzen heen lopen, de zachtmoedigen. Zij nemen hun eigen ruimte in, zij zullen het land bezitten. De bezetters niet. Die zijn alleen maar rusteloos bezig nieuwe ruimte te bezetten. Die zijn alleen maar bezig om over grenzen te gaan. Zo niet de zachtmoedigen.

Tegenover de bezetters, staan de vredestichters. Zalig de vredestichters, zij zullen kinderen van God genoemd worden. Ik denk dat hier niet de mensen bedoeld worden van de lieve vrede, niet de mensen van het toedekken van conflicten. Maar mensen die er geen vrede mee hebben dat er geen vrede is. Zij worden kinderen van God genoemd. Er staat niet bij of zij wel of niet geloven in een God, of zij christelijk zijn of niet. Dat doet er niet toe.

Zalig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden, voor hen is het Koninkrijk van de hemel. Het gaat over de mensen die recht willen op deze aarde. Er wordt hen geen plaats gegund, ze worden op de vlucht gejaagd. Tegelijk hebben zij een plaats om te wonen. Hun woonplaats is het Koninkrijk van de hemel. Dat gaat niet alleen over later, het gaat ook over nu: ze wonen nu al in dat Koninkrijk, hoe op de vlucht zij ook zijn.

Datzelfde geldt voor wie vervolgd worden vanwege Jezus: Zalig zijn jullie wanneer ze je omwille van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. Verheug je en juich, want je zult rijkelijk beloond worden in de hemel; zo immers vervolgden ze voor jullie de profeten. In de tijd dat Matteus zijn evangelie schreef, was er geloofsvervolging; maar ook in onze tijd is dat er. Wie vervolgd wordt, overleeft het niet altijd. Toch zegt Jezus: verheug je en juich! Er is blijkbaar iets dat belangrijker is dan genieten, er is blijkbaar iets belangrijker dan een lekker leven leiden. Er is iets dat de moeite waard is om desnoods voor te sterven. Hier klinkt de belofte van Jezus: je zult rijkelijk beloond worden in de hemel.

Zalig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, zij zullen verzadigd worden. Zo vele mensen snakken naar recht, Groningers in hun strijd om een goede behandeling in de gevolgen van de gaswinning. En vele volken en mensen. Tegelijk zijn er zoveel mensen die de compassie hebben om met hen mee te voelen en strijden. Mensen die zich het snakken naar recht, het hongeren en dorsten eigen hebben gemaakt. Zij zullen verzadigd worden. Dit is een belofte die ver uitreikt boven al de verzadiging die onze consumptiemaatschappij ons kan geven. Het is een verzadiging met eeuwigheidswaarde.

Tenslotte:
Zalig de barmhartigen, zij zullen barmhartigheid ondervinden. Zalig de barmhartigen, dat zet je aan het denken om je hart niet te sluiten maar te openen. Om je wereld niet af te sluiten maar te openen. Niet altijd kan een mens open zijn, niet altijd kun je je hart openen. Een mens blijft een mens, van aarde – met grenzen. Maar zalig als je barmhartig kunt zijn, je zult barmhartigheid ondervinden.

Zo zijn we alle zaligsprekingen langsgegaan.

Je kunt ze gaan als een geestelijke weg, door je leven vorm te geven in het licht van deze uitspraken van Jezus. Een weg naar binnen en tegelijk een weg naar buiten. Een weg die vreugde brengt aan jezelf en aan de ander, een weg die vreugde brengt aan de wereld en aan de Eeuwige.

ds Tjalling Huisman
Opmerking: deze meditatie is een bewerking van een preek gehouden op zondag 29 januari in Zeerijp

Meditatie december 2016

EEN LEGE PLEK                 OM TE BLIJVEN

Ga nu maar liggen liefste in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een lege
plek voor iemand, om te blijven.

(Rutger Kopland)

AfbeeldingsresultaatEen lege plek, die uitdrukking heeft meestal iets verdrietigs. Het gaat over verlies van een geliefd mens, over rouw. De dichter Rutger Kopland gebruikt de uitdrukking op een andere manier. Hij spreekt over een lege plek als een plek waar iemand kan blijven. Een lege plek, daar kun je blijven omdat die plek niet vol is. Het is een plek, speciaal leeg gehouden voor iemand. Een plek waar ruimte is.

Onze tijd is eerder een tijd van vol dan van leeg. Agenda’s zijn vaak overvol. Mensen hebben een vol leven en helaas ook al te vaak is je hoofd vol met alles wat wij willen, moeten en niet moeten vergeten. Maar al te snel leef je langs jezelf heen, maar al te snel leven we langs elkaar heen. Kerst is bij uitstek een tijd om langs elkaar heen te leven. Dankzij de vele verplichtingen die velen hebben met de kerstdagen, moet je van het een naar het ander. Het zijn vaak volle dagen, maar waarmee zijn ze vol?

Het kerstevangelie uit Lucas schetst ons de herders die naar de stal gaan. De stal staat aan de rand van de samenleving van die dagen, maar juist daar is ruimte voor hen. Er is iemand geboren wiens komst al vooruit straalt, wat hij later zal gaan zeggen en leven: Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. (Mat 11, 28) Bij Jezus is een lege plek om te blijven, voor ieder die dat zoekt.

Zo spiegelt het evangelie ons de Eeuwige voor, God als Eén die een lege plek is om te blijven. Niet als degene die zelf alle ruimte inneemt. Nee, in het Lucasevangelie wordt Jezus niet geboren in een paleis. Er is er zelfs geen plaats in de herberg. Maar de Eeuwige is het die ruimte maakt. Die ruimte maakt voor mensen, die een plek zoeken om te blijven.

Ruimte maken voor een ander, dat is iets dat voor veel mensen lastig is. Vaak heb je slechte ervaringen met mensen die alle ruimte innemen, vol van zichzelf als zij zijn. Of misschien ben je zelf zo iemand, vol van zichzelf, die alle ruimte inneemt. Tijdens de adventsdagen word je uitgenodigd daarover na te denken, advent is een tijd van inkeer. Met kerst heb je de kans om met de herders naar de stal te gaan. Daar is een lege plek voor je, om te blijven.

Die lege plek is niet aan een plaats gebonden, je kunt hem meedragen in je hart. Net als de herders zal je ook weer weg moeten gaan van de stal. Je moet terug naar het dagelijks leven. Het dagelijks leven van misschien wel de volle kerstdagen. Maar er is daar altijd wel iemand voor wie je een lege plek kunt zijn. Een lege plek om te blijven.

ds Tjalling Huisman

Meditatie november 2016

Een psalm voor Advent

Advent is de donkere tijd van het jaar. De nachten zijn lang en de dagen zijn kort. Toch is het geen sombere tijd omdat  we naar kerst toe leven. Dan vieren we dat Jezus wordt geboren en met hem doet God zelf intrede  in deze wereld. In Advent kijken we uit naar dat feest. Het feest van de lichtjes en lampjes die de hoop levend houden op de grote dag dat God intrede doet in ons leven.

In de kerk hebben we veel adventsliederen. Advent is ook een tijd van zingen. Dat is ook weer niet verwonderlijk want juist zingen houdt de hoop levend, het helpt om te blijven geloven dat na de duisternis het licht zal overwinnen.

De psalmen zijn ook voor deze liederen een inspiratiebron gebleken. Zo zegt psalm 24 bijvoorbeeld:

Hef, o poorten, uw hoofden omhoog,
verhef u, aloude ingangen:
de koning vol majesteit wil binnengaan.

Deze woorden worden bijvoorbeeld in gezang 435 (nieuwe Liedboek, zingen bidden in huis en kerk) of gezang 120 (oude liedboek voor de kerken) geciteerd  en niet voor niets, ook psalm 24 is een lied vol verwachting.

De psalm zingt van de verwachting van de komst van de Heer. De Heer zal komen en redden. Hij zal het kwaad bestrijden en de mensen die op zijn komst hopen recht verschaffen.

Maar als de Heer recht zal verschaffen, dan zullen bepaalde mensen ook te vrezen hebben. Daarom vraagt de psalm zich ook af wie voor de Heer kunnen verschijnen:

Wie mag staan op zijn heilige plaats?
Wie reine handen heeft en een zuiver hart,
zich niet inlaat met leugens
en niet bedrieglijk zweert.

Daarmee verwoordt de psalm de inkeer die ook bij Advent hoort. Ben ik al klaar om God te ontvangen? Een vorm van gewetensonderzoek om je voor te bereiden op de komst van God. Vaak zegt men dat met kerst Christus geboren wordt in ons hart en dat is ook wel waar. Het gaat erom  dat we zelf nieuw worden, nieuwe mensen die horen bij Gods toekomst. Maar de verwachting is ook breder. De psalm zet dan ook heel breed in:

Van de HEER is de aarde
en alles wat daar leeft,
de wereld en wie haar bewonen,

Het gaat uiteindelijk om heel de aarde: heel de wereld, om heel de cultuur. Het evangelie is te groot voor het gemoed alleen.

Alleen het eigen gemoed is al een hele strijd. Dat wij daarin klaar zijn om de Heer te ontvangen is een niet geringe opgave. Maar heel de cultuur lijkt haast onbegonnen werk en toch is dat waar het om gaat. Dat heel de aarde weer valt onder het recht van God. Dat daar vrede en gerechtigheid heersen. Dat het licht voor alle mensen schijnen mag.

Toch is dat de hoop die deze psalm uitdraagt. Dat Gods gerechtigheid eens definitief gevestigd zal zijn. Dat is de hoop van Advent. Met kerst vieren wij dat God daartoe beslissende stappen zet in de geboorte van Jezus.

 

Ds. Marco Roepers

Meditatie oktober 2016

Wat is het dat ik liefheb?

Het nieuwe Liedboek bergt een onuitputtelijke bron van gebruiksmogelijkheden in zich, zo staat het geschreven in het voorwoord. De vele toegevoegde gedichten en gedachten betekenen voor mij een extra verrijking. Zo staat er een prachtig gedicht in het themablok ‘LEVEN’  levensreis op blz. 1350.

Het gaat over de vraag: wat heb ik nou eigenlijk lief als ik God liefheb? Dit is het gedicht:

Maar, wat heb ik lief als ik U liefheb?
Niet een mooi lichaam
geen schoonheid die voorbij gaat
geen licht dat onze ogen graag zien
geen mooie melodieën van allerlei liederen
niet de fijne geur van bloemen of van parfum of zalf
geen manna en geen honing
niet een lief lichaam om te omhelzen
Dat heb ik niet lief als ik mijn God liefheb

En toch heb ik wel zoiets lief als licht
zoiets als een stem en als een geur
zoiets als voedsel en als een omhelzing
als ik mijn God liefheb
Hij is licht en klank en geur en voedsel
hij is de omhelzing van mijn innerlijke mens
waarvoor mijn ziel oplicht wat niet aan plaats gebonden is
waar klinkt wat de tijd je niet afneemt
waar een geur is die niet op de wind verwaait
waar smaken niet minder wordt door eten
waar omhelzing niet loslaat door verzadiging
Dit heb ik lief als ik mijn God liefheb.

Kerkvader AugustinusDit gedicht is geschreven door een zoekende ziel die leefde in het jaar 354 -430. Zijn naam: Aurelius Augustinus. Hij was theoloog, filosoof en bisschop van Hippo in N. Tunesie. Augustinus koos voor een eenvoudig leven in een klooster en hij was op zoek naar een zuiver godsbegrip. Hij vraagt zich af: hoe kom ik tot een juiste levenswijze en ziet zijn leven als een reis. De reis als beproeving van een terugkeer naar de verloren eenheid van het volledige zijn in God. Hij draagt altijd die onuitroeibare onrust in zich: een verlangen naar een vervulling, een volkomenheid die van God komt. Augustinus zegt:  het leven is een bestaan dat lijdt aan een gemis dat niet gecompenseerd kan worden, hoezeer ieder mens daar ook naar streeft. De beproeving in ons leven maakt deel uit van Gods bestel.

In het kortere gedicht van Augustinus op blz. 1351 vind ik iets terug van die beproeving. Hij schrijft :

Op de plaats waar ik was,
wanneer zocht ik U daar?
En U stond gewoon voor me!
Maar ik was ook van mijzelf weggelopen
en kon mezelf niet meer vinden
laat staan U!

Wanneer zocht ik U daar en u stond gewoon voor me! Wat een troostvolle zin. Hoe vaak lopen wij van onszelf weg en zijn de goede weg een poosje kwijt? Dan helpt het niet dat we diep van binnen weten dat God er altijd is.  Zijn naam zegt het ons: Ik zal altijd bij je zijn. Altijd, ook al zijn we niet in staat dat altijd te ervaren

Beide gedichten laten een mens zien van alle tijden. Of je nu in het jaar 400 leeft of in 2016. We zijn in ons leven toch voortdurend bezig met vragen en gevoelens van verwachting en hoop. En dan is hier een mens die woorden vindt om tot uitdrukking te brengen waar het werkelijk om kan gaan. Om die goddelijke liefde te zien en te ervaren, dan gaat het zo vaak om die kleine wonderlijke ervaringen, bv. In een ontmoeting, een glimlach, een omhelzing, in de muziek of in de stilte. Augustinus bleef zijn hele leven zoeken, ook al was hij zich bewust dat hij zelf al gevonden was. Dit zei hij tegen God: Mag ik U zo zoeken dat mijn ziel kan leven, want mijn lichaam krijgt leven van mijn ziel en mijn ziel krijgt leven van U.  Deze woorden uit een ver verleden kunnen mij ontroeren en ook dat is een sprankje van Gods liefde.

Elske Kramer